Kleren van de keizerin

Een beetje besluiteloos sta ik voor de kast. We hebben op kantoor geen bedrijfskleding. Maar je wordt wel geacht representatief te verschijnen. Een spijkerbroek is eigenlijk alleen op vrijdag ‘done’. Ik heb een nieuwe. Eentje die nu al heerlijk zit. En die heel donkerblauw is, je ziet nauwelijks dat hij van spijkerstof is. Ik ga een (hoop ik) rustige dag tegemoet zonder bezoekers of al teveel collega’s. Zal ik? Ik zal. Ik knip de kaartjes eraf en pak een leuke blouse. Na het ontbijt ruimen we snel af: de trein wacht niet. Op kantoor ben ik een van de eersten. Ik zeg vriendelijk goedemorgen, zet mijn laptop aan en pak mijn spullen uit de la. Als ik met een kopje koffie voorbij loop, zegt een collega: ‘Hey, heb je een nieuwe broek aan?’ Het is een mannelijke collega. Blij verrast geef ik toe: ‘Ja, inderdaad! Wat attent van je.’ Hij glimlacht even en zegt dan: ‘Hij staat je leuk, hoor. Maar ik zag het vooral aan de sticker met de lengtemaat op je broekspijp!’

Date a dog

Met interesse bekijk ik het artikel op http://www.nu.nl. Het asiel in Den Bosch heeft wel een heel ludieke manier gevonden om asielhonden aan een baasje te helpen. Gisteren kon je op een open dag kennis maken met een aantal honden. Als de vonk oversloeg, werd je naam genoteerd. En meld je je de komende week opnieuw, dan gaan ze er vanuit dat het geen ‘impulsbesluit’ is. En dat de hond echt een goed nieuw tehuis heeft gevonden. Er zaten leuke honden in het filmpje. Eentje leek zelfs een beetje op Floppy. Ik zet de pc uit en zucht. Ben nog niet toe aan een nieuwe hond. Zelfs Sydney vergelijk ik bewust en onbewust regelmatig met hem. Ze is zo leuk, zo lief en zo aandacht afleidend. Maar ze is niet Floppy. Ook honden hier in de buurt zijn niet Floppy. Kan ook niet, zoals Floppy was er maar een. Hij is er niet meer. Maar ik wil hem nog steeds ‘terug’. Manlief en ik hebben goede afspraken gemaakt: we zien wel. Als een van ons er (weer) aan toe is, dan kijken we naar de mogelijkheden. Een pup, een asielhond, het maakt niet uit. Als die vonk er maar is. Voorlopig geven we het nog even de tijd. Nemen we eerst de hindernis ‘decembermaand’. Die stond altijd in het teken van ons gezinnetje en de familie. En zal toch anders aanvoelen zonder de aanwezigheid van ons harige vriendje. Maar als ik gisteren in Den Bosch was geweest, dan weet ik niet of ik toch ondanks alles bezweken was voor een paar grote bruine en begripvolle ogen!

Bommelding

Het valt me in eerste instantie eigenlijk nog niet eens op. Ik zit op kantoor met uitzicht op de rails waar normaal gesproken om de zoveel minuten een trein voorbij dendert. Maar het is al een tijdje stil. Te stil. Merkwaardig stil. Dan horen we iemand zeggen: ‘Er is een bommelding op het station!’ Verbaasd kijken we elkaar aan. Ik kijk op http://www.nu.nl en inderdaad: een achtergelaten merkwaardig koffertje heeft groot alarm opgeleverd. De hele wijk is afgezet. Het rood-witte lint loopt zo’n beetje recht voor ons gebouw. Snel zet ik een bericht op de beeldkrant om de aanwezige collega’s te waarschuwen: geen treinverkeer mogelijk tot nader order. De rest van de middag houden we berichten in de gaten. Net als ik op zoek ga naar een collega uit mijn woonplaats om in elk geval thuis te kunnen komen, krijgen we het sein veilig. Een half uur later zit ik in de trein. Het was loos alarm. Of zoals iemand twitterde: ‘Je bent geen terrorist maar een architectuurcriticus als je het op dit gebouw hebt voorzien!’

Mannelijk

Om 7 uur ’s ochtends belt mijn collega aan. Hij is op weg naar een seminar in Amsterdam, maar heeft een pakketje dat naar kantoor moet. Ik woon qua omweg het dichtst bij. ‘En’, vul ik collegiaal aan, ‘ik ben de leukste collega!’ Collega lacht wat. Wat door mij gelijk wordt geïnterpreteerd als gelijk hebbend. Uiteraard. Terwijl Manlief de dagelijkse sinaasappels voor ons ontbijt perst, zet ik snel een kop koffie. We kletsen wat over de bijeenkomst, de bedrijfsresultaten, ons leuke huis en de webwinkel van zijn echtgenote. Dan merkt hij op dat Manlief een beetje stil is. Manlief glimlacht. Als collega vertrokken is en wij in de trein naar kantoor zitten, lees ik de twitter-berichten tussen collega en hem. Collega: ‘En, al een beetje wakkerder?’ Manlief: ‘Onderzoek toont aan dat vrouwen 5x zoveel praten als mannen. Ik voel me ’s ochtends een echte man!’ Kijk, dat is nou het leuke van Manlief: hij heeft ook altijd overal een passend antwoord op!

Ochtendhumeur

En ik had het nog zo gezegd: ‘Kom gezond weer terug, en besteed geld voor souvenirs gewoon lekker aan jezelf!’ Ze kwamen terug, gezond en wel. Maar met cadeautjes uit Amerika. Een prachtig hardloopjack en -shirt voor Manlief, waarmee hij gelijk de eerste wedstrijd al een persoonlijk record liep. En voor mij een schitterende pyjama van thermostof. Ik sliep heerlijk die eerste nacht. Maar de tweede nacht had ik keelpijn. Moest ik hoesten en lag maar te draaien en te woelen. Er heerst bij ons op de afdeling een akelige griep, waar niemand tegen bestand lijkt. Zoals een volop snotterende collega opmerkte: ‘Het “knock me down and kill me quick”-virus.’ Toen de wekker ging, was ik dan ook absoluut nog niet uitgeslapen. Maar de plicht riep, nogal nadrukkelijk. Dus ik liep naar de badkamer, totaal niet tevreden met mezelf en de wereld. Daar schoot ik in de lach. Want er stond een boos fronsende vrouw in een roze pyjama naar mij te kijken. Met in blauwe letters de tekst: “I don’t do mornings”! Zelden zo snel afscheid genomen van een ochtendhumeur.

Ontslagen

Enthousiast kijk ik ‘m aan. En zwaai als bewijsmateriaal vrolijk met mijn arm. Maar hij is niet zo gemakkelijk te imponeren. Ik neem plaats op de behandeltafel en volg braaf zijn verzoeken op. ‘Geef tegendruk’, ‘kruis voorlangs’, ‘beweeg naar beneden’. Alles gaat nagenoeg soepel en probleemloos. Hij kan niet anders dan mij gelijk geven: de problemen met mijn schouder zijn bijna helemaal over. Er is alleen nog sprake van wat “restschade”. Maar dat slijt vanzelf wel. De fysiotherapeut duikt achter de computer om de administratieve afronding te voltooien. ‘Zo’, zegt hij dan. ‘Je mag jezelf als ontslagen beschouwen!’ En in dit geval ben ik er nog blij mee ook.

Finish in zicht

Vandaag lopen we onze eerste wedstrijd. We hebben er niet veel vertrouwen in. De omstandigheden zijn perfect, maar we hebben allebei de afgelopen week een paar dagen ziek en kwakkelig op bed en bank doorgebracht. Zijn we fit genoeg? Als we ons startnummer ophalen, maakt de juffrouw achter de balie een grapje: ‘Met jullie achternaam verwachten we natuurlijk wel wat!’ Om ons heen allemaal professionals die rekken, strekken, buigen en bukken. En veel! Dit is echt het serieuze werk. Dan klinkt het startschot. In een hele grote kluwen sprinten we weg. Mijn moeder staat te zwaaien, en vrienden van ons: ‘Kom op, je kunt het, ga!’ Manlief loopt een stukje voor me uit. Halverwege de eerste ronde van twee staan kinderen met natte sponzen. Zonder mijn tempo te onderbreken pak ik er een aan en druk die tegen mijn gezicht. Heerlijk! Een stuk verder delen ze bekertjes water uit. Ook prettig, maar lastig om te lopen en te drinken. Dan hoor ik een stem: ‘Lachen!’ Mijn moeder maakt een foto. Als ik over de 2,5 km-lijn loop na 15 minuten en 10 seconden, hoor ik dat de winnaar van deze 5 km vlak achter me zit. Dat is snel, maar hij heeft me dus (net) niet ingehaald! De route ken ik nu, dus ik loop gestaag door. Manlief nog steeds in zicht en ook de tweede keer voelt de natte spons prima! Nog 1 kilometer, nog 400 meter. Mijn naam wordt afgeroepen als ik de finish bereik in 31.40 minuten. Ik val Manlief in zijn zweterige armen: hij liep de 5 kilometer in 30.55 minuten. We hebben het gehaald! Hij is 108ste geworden van 121 mannelijke deelnemers. Ik 83ste van 96 dames. Of we dit vaker gaan doen, dat weet ik nog niet. Maar ik ben beretrots op ons!