Oei, ik groei!

De telefoon gaat. Broer vraagt of ik even langs wil komen. Hij is een man van weinig woorden, dus ik vraag niet door en begeef me naar hun woning in de wijk naast de onze. Als ik aanbel, hoor ik zijn stem al achter de voordeur. ‘Linkervoet, rechtervoet, linkervoet …’ Mijn nichtje staat stralend aan de handen van haar vader voor me. Het leren lopen gaat steeds beter. Ik volg broer naar hun woonkamer. ‘Kom, geef tante Dorine eens een kusje!’ Ze kijkt me even nadenkend aan maar buigt zich dan voorover. Even later is mijn wang nat en plakkerig. ‘Dat doet ze voor het eerst’, zeg ik enthousiast. Broer knikt. Maar de voorstelling is nog niet voorbij. Ze laat zien dat ze zich inmiddels zonder hulp van de bank kan laten glijden. Hoe ze zich onder een kussen kan verstoppen. Het aan/uit-knopje in het oor van haar hobbelpaard moet bedienen. De hele trukendoos gaat open. Als ze uiteindelijk lief met haar knuffelhond zit te spelen, vraag ik broer wat er nou aan de hand was. ‘Nou, dit!’, zegt hij, zich verbazend over mijn vraag. ‘Ze leert elke dag bij en ik kon verder niemand bereiken om het allemaal te laten zien!’

Efteling

Mismoedig lig ik op bed. Zolang ik me rustig houd, gaat het eigenlijk best goed. Maar als ik me aan- of uitkleed, een boek pak, de planten water geef, kortom: beweeg, dan schiet de pijn door mijn schouders en nek. Dus probeer ik me te ontspannen en zo warm mogelijk te houden. Lig tussen de kussens en symbolische watjes. Manlief neemt zoveel mogelijk werk uit handen, al dan niet met toestemming van ondergetekende. En troost mijn teleurstelling weg. Als hij me liefdevol over mijn haar aait, fluister ik ineens: ‘Er zit een draak op de kast!’ Niet begrijpend kijkt hij me aan. Is het me nu ook in de bol geslagen? Weer zeg ik zachtjes: ‘Er zit een draak op de kahast!’ Hij volgt mijn blik en schiet in de lach. Op de kast ligt het speelgoeddraakje van Floppy. Sydney had een van de naden stukgebeten, waardoor de vulling eruit kwam. Dus had ik het ter reparatie even weggelegd. Op de kast leek toen een logische plek. Ik kus Manlief en pak mijn boek maar weer. Met een glimlach in mijn ogen. Volgens mij is het hoog tijd voor een bezoek aan de Efteling!

Nagekomen bericht: het is helemaal geen spanning of beklemde zenuw in mijn nek. Ik blijk een slijmbeursontsteking in mijn schouder te hebben. Lees: erg pijnlijk! Ook bah!

Streng

Manlief toont zich bij wijze van uitzondering ongenadig. Ik mag niets doen, alleen stilzitten en af en toe bij wijze van hoge uitzondering even naar het toilet. Kan niet zeggen dat hij geen gelijk heeft: linkerarm is inmiddels nagenoeg onbruikbaar. Elke beweging doet pijn in nek, schouder, rug of bovenarm. Maar gelukkig heb ik veel minder last van mijn rechterarm. Dus terwijl mijn echtgenoot poetst en stofzuigt of zijn leven er vanaf hangt, zit ik onder de parasol met een boek. Mijn oog valt op een van de planken van ons dakterras. Die steekt een beetje omhoog. Levensgevaarlijk! Ik neem polshoogte en zie dat twee schroeven geen grip meer hebben in het hout. Die moeten verplaatst worden. Zonder na te denken pak ik de elektrische schroevendraaier. Als ik in een bepaalde hoek hang, heb ik geen last van mijn schouders. En kan ik zelfs kracht zetten. Als de schroeven zich in een ander plekje hebben vastgebeten, kijk ik op. Recht in het stomverbaasde en ook redelijk boze gezicht van Manlief. Een paar minuten later zit ik weer in mijn stoel onder de parasol. Ik zie dat het bovenraam nog steeds muurvast dicht zit. Zal wel vocht zijn en met een beetje wrikken moet het snel kunnen worden verholpen. Denk ik. Het zal wel menselijk zijn dat je dingen wilt doen die je fysiek (tijdelijk) niet kunt. En anders toch zeker typisch vrouwelijk!

Zo druk

Na de reorganisatie duurde het even voordat iedereen zijn of haar plekje weer had gevonden. Een beetje gewend was aan de nieuwe afdeling en bijbehorende collega’s. Volgens het management zou dit in een paar maanden gepiept zijn. Maar dat bleek een beetje te optimistisch gesteld. En nu het stof weer is gaan liggen en iedereen zo’n beetje weet wat er van hem of haar wordt verwacht, stromen de opdrachten binnen. Campagnes worden opgezet, acties uitgestippeld en systemen aangepast. De capaciteitsverzoeken vliegen om je oren. En daar waar we ons normaalgesproken druk maken over berichtgeving in komkommertijd, zwaaien we nu licht paniekerig collega’s uit die wel op vakantie gaan. Nog meer werkdruk. Volgens een vrij nauwkeurig opgezet capaciteitsoverzicht ben ik op dit moment al voor 50 uur per week ingedeeld. Terwijl ik toch heus maar gedurende 38 uur het vuur uit mijn naaldhakken loop. En hierbij is geen rekening gehouden met vakantieopvang. Mocht je denken dat ik wel een beetje gemakkelijk in de stress schiet: in augustus start de aanloop naar de laatste vier maanden van het jaar. Voor de trouwe lezers: standaard de drukste! Gelukkig houden de achterblijvers de moed erin. Een schat van een collega biedt aan om wat doe-klussen over te nemen. Een ander laat even de boel de boel en haalt voor iedereen iets te drinken. En de meest onverstoorbare collega zegt: ‘Gewoon blijven adem halen. Later lachen we erom, zul je zien!’ Ik hoop dat het maar snel later is dan.

Muurvast

Ze fluit zachtjes tussen haar tanden. Ik lig op de behandeltafel en antwoordde op haar vraag ‘Moet ik ergens op letten?’ met een ‘Best veel stress, spanning en emotie achter de rug’. De spieren van mijn rug en schouders zitten muurvast. De masseuse van de thermen waar we een dagje bijkomen leeft zich uit, maar ze krijgt er ondanks verwoede pogingen nauwelijks beweging in. Als ik zeg dat ik inderdaad steeds meer uitstralingspijn naar mijn bovenarmen krijg, is het uit met de pret. ‘Je hebt echt hulp nodig’, zegt ze. ‘Als je hiermee door blijft lopen, krijg je serieuze problemen.’ De tranen staan alweer in mijn ogen. Ze geeft een geruststellend kneepje in mijn hand: ‘Je bent niet gek en je wordt het ook niet. Maar je moet thuis wel even de fysiotherapeut bellen.’ Gelukkig krijg ik deze snel te pakken. Het is een goede vriend en hij weet wat er is gebeurd. Maandag krijg ik mijn eerste behandeling. Nu maar hopen dat de lichamelijke klachten snel worden verholpen.

Koud

‘Hoe gaat het nu met je?’ Ik stel mijn leidinggevende gerust: ‘Prima!’ Zolang ik op kantoor ben, waar het megadruk is, gaat het ook goed. ‘Hoe is het met je’ Ook vrienden houd ik voor de gek. De buitenkant ziet er weer redelijk uit. Ik kan over Floppy praten zonder gelijk in tranen uit te barsten. Het is ook ‘al bijna twaalf weken’ geleden dat we afscheid moesten nemen. Twee vriendinnen dringen aan: ze willen me zien. En dus ontvang ik gisterenavond en vanmiddag bezoek. Ik heb wat lekkers gemaakt. Me leuk aangekleed. Maak grapjes. En vertel hoe goed het gaat. Terwijl de binnenkant nog steeds een rommeltje is. Maar dat hebben ze niet in de gaten (denk ik). Het is zelfs gezellig als vanouds. Als iedereen vertrokken is en de bordjes en kopjes weer schoon in de kast staan, zet ik iets ontspannends op. Een oude aflevering van Bones, die we door het WK voetbal niet hebben gekeken. Het blijkt een kerstthema te zijn. Over hoe fijn het is om samen te kunnen zijn met kerst. Binnen twee minuten stromen de tranen over mijn wangen. Ze weten van geen ophouden. Manlief slikt een brok weg en slaat zijn armen stevig om me heen. Uiteindelijk bedaar ik. En kijk hem door mijn tranen heen aan. Het komt wel goed. Kerstmis is nog heel ver weg. Maar het zal een koude, koude kerst zijn zonder ons vriendje.

Noodweer

De hele dag vliegen de weeralarms je om de oren. We houden elkaar op de hoogte met behulp van buienradar. Gelukkig kan ik mijn uren op kantoor gewoon volmaken, het is druk genoeg. Als ik in de trein stap, zie ik richting huis een loodgrijze lucht hangen. Helaas was de intercity net weg, dus ik zit in een stoptrein die drie extra stations aandoet. Maar waar ik normaalgesproken verveeld in een krantje blader of naar muziek luister, kijk ik nu geboeid naar buiten. Alle paarden en koeien staan met hun kop naar het oosten. De lucht is prachtig om te zien. Af en toe zie je een bliksem schieten. Het valt gelukkig allemaal nog mee, we zitten vooraan in de bui. Als ik in mijn woonplaats land, begint het te regenen. Hard te regenen. Ik red het niet droog tot de auto, maar ach, het is niet koud. Sydney is het even later niet met mij eens, ze wil niet mee naar buiten voor een wandeling. Maar ook zij smelt niet, dus we maken ons rondje, zij het wat sneller dan normaal. Stiekem geniet ik van dat natuurgeweld. En tegen de tijd dat manlief thuis komt, zijn de wegen alweer droog. Als ik ’s avonds naar het journaal kijk, valt mijn mond open. Wij hadden blijkbaar ‘slechts’ een stevige bui, waar de rest van het land zelfs nu nog met echt noodweer kampt. Hopelijk schijnt voor hen ook snel weer de zon.