Dag prinsesje

“Wel handig om te weten: ze is een prinses. Incognito uiteraard. Maar toch.” Zo werd onze logeerbeagle Sydney geïntroduceerd bijna elf jaar geleden. En de eigenaren waren niet de enige die dat dachten. Ook de baas van de dagopvang was ervan overtuigd. Als ik hem soms vertelde over haar goedgemutste arrogantie, haalde hij zijn schouders op. “Dat doet een prinses nu eenmaal.” Lieve Sydney. Ze kwakkelde de laatste tijd een beetje. Gebroken tand. Oorontsteking die maar niet over wilde. Stramme spieren. Maar ze hield vol. De oudste beagle van de fokker is 14,5 jaar oud geworden. Sydney was ervan overtuigd dat ze het record op haar slofjes zou verbeteren. En wij hoopten heel hard met haar mee. Het mocht niet zo zijn. Gisterenavond ging het goed mis. En vanmiddag vertrok ze. Weg van haar eigenaren en van ons. Naar Bandit, haar vriendje die haar opwachtte over de regenboogbrug. Het is goed zo. Maar het afscheid voelt erg scherp. Vorige week nog lag ze hard snurkend op mijn voeten onder het bureau. Want dat kon ze als de beste: snurken, waar nodig met open ogen! Ik heb haar gelukkig nog een stevige afscheidsknuffel gegeven toen. Dag prinses. Dag lieve, lieve Sydney. Maak de regenboog nog mooier. We zullen je zo heel erg missen.

Voor al uw Snelle klussen

Terwijl de honden met elkaar ‘in gesprek’ zijn, maken Buurvrouw en ik een praatje. Over het ‘drama’ met de lege accu van de cabrio, over haar kleindochters en over het gezellige spontane etentje afgelopen zondag. Dan zegt ze: “Ik durf het bijna niet te vragen. Maar zou jouw echtgenoot vanavond even naar het klokje op mijn oven kunnen kijken? Het lukt me niet om de juiste tijd in te stellen.” Natuurlijk wil Manlief helpen. En het blijkt inderdaad lastiger dan nodig. Het apparaat blijft maar hangen in de bereidingstijd. Buurvrouw oppert een paar keer om het op te geven, maar dat druist tegen onze natuur in: je wilt de juiste tijd zien en geen ingenieus rekenmodel om te weten hoe laat het is. Uiteindelijk lukt het en geven we elkaar enthousiast een high-five. Als we weer terug op de bank zitten bij de hondjes met een kopje koffie, kijk ik Manlief aan. “Ik denk dat je even terug moet”, zeg ik voorzichtig. Verbaasd kijkt hij me aan. Met een knipoog vervolg ik: “Nog een paar dagen. Dan gaat de wintertijd in. En staat er opnieuw een verkeerde tijd op het klokje!”
PS: Buurvrouw had goed opgelet en heeft het zelf aangepast. Knapperd!

Dagelijks één uitdaging

“En, heb je nu wel een lekker ritje gemaakt met de cabrio?” Het appje trekt me over de streep. Ik zou me diep moeten schamen dat ik niet in de cabrio durf te stappen. Ik heb in tientallen auto’s groot en klein, prijzig en koopje gereden. Al meer dan 20 jaar schadevrij. Je moet elke dag toch minstens één ding doen dat je spannend vindt? Dat is goed voor je gestel. Dus ik haal diep adem en kruip weer achter het stuur. De auto reageert positief op mijn schietgebedje en start zonder mopperen. Ik wacht geduldig conform de gegeven instructies en druk dan op de knop voor het open dak. Ook dat werkt vandaag mee en even later rijd ik bibberend maar blij de straat uit. Iemand steekt zijn duim op en ik zwaai enthousiast terug. We zijn inmiddels redelijk ingeburgerd hier door alle oppasacties. Gisterenavond schoten maar liefst vier buren ons te hulp, zo warm. Dus ik rijd met open dak naar de bakker en haal daar een doos overheerlijke tompouces. Die geef ik met een passend kaartje af bij de buurman, die zijn acculader uitleende en geruststellende woorden uitsprak. Vooral dankzij hem rijd ik nu met een brede glimlach door de straten van Rhenen. Toch! En dat mag best beloond worden.

Cabriofobie

Mijn hele leven droom ik al ooit een cabrio te bezitten. Het romantische beeld van wapperende haren en een ontspannen houding duikt regelmatig op in mijn dromen. Ooit carpoolde ik met een collega die er een had. En me er een keer in liet rijden. Die brede glimlach heeft dagen op mijn gezicht gezeten. Dus telkens als wij op Huis & Hond passen in het pittoreske Rhenen, worden mijn ogen naar de cabrio op de oprit getrokken. Telkens benadrukt de eigenaresse waar de sleutels liggen. Maar wat als er iets gebeurt? Vandaag is Manlief naar kantoor, de zon schijnt en ik voel me heerlijk. En dus besluit ik mezelf te trakteren op een tochtje. Ik kruip achter het stuur, zet het contact aan en druk op de knop. Het dak schuift een stuk open en stopt dan. Verbaasd druk ik nog een keer. Op het dashboard verschijnt een mededeling “start motor”. Maar ook die weigert elke medewerking. Wat nu? Ik zoek het instructieboekje op, zonder een oplossing te vinden. Wel zie ik een kaartje met het nummer van de pechhulpdienst. Maar helaas, dat blijkt niet meer te kloppen. Dan bel ik toch maar met de eigenaren. En die weten wel raad. Ik had eerst de motor moeten starten. De openingspoging heeft de accu leeg getrokken. Na een tweede telefoontje komt de buurman met startkabels om het probleem op te lossen. “Maak je geen zorgen, hoor. Het is ons ook een keer gebeurd. Eind goed, al goed. Toch?” Ik bevestig aarzelend. “Heel fijn dat het dak weer dicht is. En weer wat geleerd vandaag! Maar helemaal goed? Dat net niet. Want ik vrees dat ik er een cabriofobie aan overhoud!”

Wat je zegt, ben je zelf

Het gaat steeds beter met Darwin. Zijn haren groeien, de bult slinkt en hij geniet van lange boswandelingen met ons. Dus als we een jonge Husky tegenkomen, laat ik hem na een vragende blik naar de eigenaresse, net als voor de operatie even snuffelen. Vanuit het niks grijpt de hond Darwin in z’n nek. Die zet het op een gillen. Ik trek hem weg en onderzoek de schade. De eigenaresse bekijkt het stoïcijns en loopt dan zonder een woord te zeggen verder. Manlief kalmeert zijn hond en echtgenote: gelukkig valt het allemaal mee. We moeten gewoon zelf nog even goed oppassen met andere honden. Vanmiddag kom ik haar weer tegen. Gelijk ga ik achter een auto staan. Een ouder echtpaar dat een eindje verderop staat, kijkt verbaasd. Maar niet zo perplex als ik, als ik haar tegen hen hoor zeggen: “Dat stomme mens heeft iets tegen mijn hond!” De man knipoogt hartelijk naar mij, en zijn vrouw zegt sussend dat een verhaal altijd twee kanten heeft. Mopperend loopt ze door met haar hond, mij een vuile blik toewerpend die ik met verve pareer. Als de vrouw van het echtpaar mij uitnodigend en vragend aankijkt, zeg ik alleen dat mijn hond net geopereerd is en dat die van haar hem onverwachts beet. Ze knikt, vraagt of het goed gaat met hem en dan lopen we allemaal weer verder. Stom mens? Zou zomaar kunnen. Maar wat je zegt, ben je zelf! En van Darwin moet ze afblijven.

Bijzondere beagle

Enigszins verontrust kijkt hij ons aan. Hij heeft absoluut geen goede herinneringen aan deze plek. En nu gaan we er alweer naar binnen. Maar waarom dan?! We spreken hem geruststellend toe: het is alleen voor controle van de wond in zijn nek. En daarna gaan we lekker met z’n drietjes naar de Veluwe. Beloofd. Als de arts ons binnenroept, kijkt hij opgewekt. De wond heelt prima. Er zit nog een bult, en die zal waarschijnlijk helaas niet helemaal verdwijnen. Maar als z’n haren over een paar weken weer aangegroeid zijn, zul je het nauwelijks zien. Voor de volledigheid drukt en knijpt hij hier en daar. En knikt dan nogmaals; het is goed. Alle beperkingen worden per direct opgeheven. Hoera! Als de behandeltafel weer naar hondhoogte zakt, zegt hij: “Het is een bijzondere beagle”. Voor ons niets nieuws, maar toch kijk ik hem enigszins nieuwsgierig aan. Hij verklaart z’n uitspraak: “De meeste beagles zijn dik. Kunnen ze niks aan doen. Erfelijk belast. Darwin is niet dik!” Het onderwerp vindt dit zeker een kluifje waard en accepteert dit dus ook zonder gêne. Dan draait hij zich om. Naar de uitgang. Het is genoeg. De Veluwe roept. En wij voldoen aan zijn verzoek. Want Darwin is inderdaad een bijzondere beagle. En wij zijn enorm blij met hem.

Hamsteren!

“Hoe gaat het met Darwin?” We krijgen veel lieve aandacht voor ons hondje. Nu de pleister van de wond af is, zie je pas goed hoe hij is toegetakeld. Daar waar we de ongewenste en mogelijk schadelijke bult hebben laten verwijderen, zit nu een nog veel groter exemplaar, gevuld met wondvocht. Maar dat was aangekondigd, en bevestigd toen ik voor alle zekerheid toch nog maar een keer belde met de dierenarts. Ook onder zijn kin hangt een grote met wondvocht gevulde zak. “Geen zorgen, dat trekt met een week of twee vanzelf weg. Wel in de gaten houden dat het zijn ademhaling niet verstoort.” Het gaat gewoon goed met Darwin. Hij krijgt nog zware pijnstillers, maar hij eet, drinkt, slaapt, poept en plast alsof er niets met z’n nek aan de hand is. Met onze energie is het een stuk minder gesteld. We rennen als malloten achter hem aan om hem te attenderen op wat niet mag: niet springen, niet hollen, niet trekken, niet met andere honden spelen, geen trappen lopen! Wat hij dus allemaal wél wil doen. Zijn kersttrui is inmiddels vervangen door een hippe col, gekregen van oma. Die geeft wat minder ongemak in zijn oksels en meer comfort over de plaats des onheils. So far, so good. Maar dan, als ik hem een kluifje geef, hoor ik ‘m smakken. Ik kijk wat beter. De zak onder zijn kin is verschoven naar zijn wangen. Hij lijkt wel een hamster! Ik schiet onwillekeurig in de lach. “Ach jochie toch, teveel naar de reclame van Albert Heijn gekeken?” Hij kijkt verontwaardigd terug, wat het beeld nog komischer maakt. Nagrinnikend knuffel ik hem. Stiekem zijn we blij dat het goed met hem gaat. Heel blij! Het komt allemaal goed, zeker weten. Kwestie van even doorsmakken.

Over 100 dagen

Terwijl we richting de kliniek rijden voor de operatie van Darwin, horen we op de radio dat het over 100 dagen alweer Kerstmis is. We kijken elkaar glimlachend aan. Na de operatie moet Darwin een rompertje aan om de wond te beschermen. En dat mag een van zijn kersttruien zijn. Perfect getimed dus. Maar de lol verdwijnt snel als we in de wachtkamer zitten. Darwin heeft geen goede herinneringen aan deze plek en kruipt dicht tegen mij aan. De slaapprik doet hem pijn en als we hem even later op de brancard leggen, lopen de tranen over mijn wangen. Wat doen we hem aan? Manlief slaat zijn armen stevig om me heen: “Kom, we zijn nu lang genoeg solidair geweest. Wij gaan ontbijten hier vlakbij.” Even later zitten we met de laptops tegenover elkaar te werken. Tegen het middaguur zullen ze bellen met een update. Maar het is nog geen 10 uur als de telefoon gaat. Verschrikt en een beetje laf duw ik ‘m naar Manlief toe: “Pak jij ‘m alsjeblieft!” Het is goed nieuws. Heel goed nieuws. De dierenarts verwachtte anderhalf uur nodig te hebben. Het ging zo vlotjes, dat hij na een kwartier al klaar was. We mogen hem komen halen! Opgelucht rijden we terug naar de kliniek. De assistente laat ons iets walgelijks in een potje zien. Nou en of hebben we er goed aan gedaan om dit weg te laten halen! We krijgen allerlei instructies voor de komende twee weken: geen trappen lopen, geen contact met andere honden, niet naar de dagopvang. Het is een jaap van een snee en die moet goed genezen. Dan lacht ze. “Mijn collega zag het rompertje met de kerstafbeelding. En heeft de pleister in de vorm van een kerstboom geknipt om in het thema te blijven!” Het onderwerp van gesprek vindt het een stuk minder amusant. Maar eenmaal voorzichtig op de achterbank van de auto gevleid slaakt hij een diepe zucht. Eerst die narcose maar eens wegslapen. Dan eten. En dan zien we wel verder. We hebben nog 100 dagen voor het kerst is.

It’s beginning to look a lot like …

Naast me ligt een heel zielig hoopje hond. We zijn net terug uit de kliniek. De specialist deed me een beetje denken aan mijn neef Colin. Hij spreekt met een zwaar Duits accent en straalt rust en vertrouwen uit. Als hij vertelt dat hij zelf ook twee beagles heeft, ben ik helemaal overtuigd. Het komt vast allemaal goed. Hij onderzoekt Darwin en kijkt hoe deze door de spreekkamer banjert in de hoop dat hier dan tenminste iets te eten is. Hij moest nuchter komen, maar is inmiddels bijzonder slecht gehumeurd. De specialist legt uit dat er drie scenario’s mogelijk zijn: het stelt niets voor, het stelt iets voor maar is te behandelen. Of het is toch helemaal mis. Als Darwin meegenomen wordt voor de CT-scan, ben ik onrustig. Maar zodra de dierenarts weer verschijnt, glimlacht hij geruststellend. Het zit tussen a en b in: een hele grote uitgerekte vetbult die goed te verwijderen is. Als we een afspraak maken voor de operatie, vertelt de assistente dat het een grote snee wordt. En dat Darwin niet aan de wond mag komen. Hij moet dus of een rompertje aan of een kraag om. Bloedserieus vraag ik haar of een kersttrui voldoet. Even kijkt ze me verbaasd aan en schatert het dan uit. “Dat is zelfs perfect.” Ik knik bevestigend, dat dacht ik al. “Hij is ze gewend. Heeft er drie. Dus hij kan kiezen!” Buiten knuffel ik mijn slaperige en nog steeds boze hondje stevig. Voor de kosten kunnen we een nieuwe beagle aanschaffen. Maar dat is geen Darwin. Dus even slikken en dan gelukkig weer doorgaan. Met als bonus dat kerst lekker vroeg begint dit jaar.

Vet waar het niet hoort

“Kijk jij eens, heeft hij hier nou een bobbel?” Darwin en ik liggen heerlijk languit op de bank televisie te kijken. Maar terwijl ik achter zijn oren kroel, merk ik een verdikking op. Manlief kijkt, voelt en knikt: er zit iets wat er niet hoort. Ik maak een paar foto’s en bel de volgende ochtend met de dierenarts. “Ik zit er net naar te kijken”, zegt de assistente. “Maar het is lastig te zien zo. Hoe voelt hij zich verder?” Het onderwerp van gesprek holt op dat moment met een knuffelbeest in zijn bek keihard achter de logeerhond aan. “Kippetjelekker!” antwoord ik, rollend met mijn ogen. Op haar advies maak ik een afspraak later in de week, die ik kan annuleren als de bult uit zichzelf wegtrekt. Maar helaas: vanochtend zitten Manlief en ik in de wachtkamer met een verongelijkte beagle. Ik ken de dierenarts al meer dan 25 jaar en heb vertrouwen in zijn diagnose. Hij knijpt hier en voelt daar. En zuigt dan met een injectienaald wat vocht uit het betreffende gebied om dit onder de microscoop te bekijken. Als hij terugkomt in de onderzoekskamer, kijkt hij bedenkelijk. “Het is vet, en goedaardig. Maar het is veel en op een onhandige plek.” Zijn advies is dus om het door een specialist weg te laten halen. “Want als je er niets aan doet, wordt het steeds groter en krijgt hij moeite met bewegen. Dat kan elders weer overbelasting en slijtage veroorzaken. Het is wel een kostbare ingreep met alle spieren, zenuwen en bloedbanen daar.” Manlief en ik kijken elkaar aan. En knikken gelijktijdig. De dierenarts belooft de gegevens door te sturen en wenst ons succes: “De operatie is op zich niet moeilijk, en Darwin is in een goede conditie. Dus geen zorgen: dit komt wel goed.” Als ik bij de kassa sta, vraagt de assistente: “Hoeveel weegt Darwin nu?” Ik schiet in de lach. “Hij heeft nog wat coronakilo’s weg te werken. En zonder dat vetplakkaat in zijn nek zal hij vast precies het juiste gewicht hebben.” Om er na het zien van het (te) hoge cijfer op de weegschaal aan toe te voegen: “En hij heeft vandaag ook een heel zwaar tuigje om! Maar we gaan er samen tegenaan, zodat over een paar weken alles weer helemaal in orde zal zijn.”