
Het begon in de Provence, begin juli. Een zeurende, soms vlammende kiespijn. Met poetsen, eten of inspanning merkte ik nauwelijks verergering. En een buitenlandse tandarts zoeken, was een behoorlijke stap te ver. Eenmaal thuis werd mijn aandacht afgeleid. Ik bedacht meestal pas bij het volgende pijnmoment (want die bleven zich aandienen), dat ik echt een afspraak moest maken. Wat er vervolgens weer niet van kwam. Dus zo erg was het allemaal niet en misschien ging het wel vanzelf over. Ik zou het wel melden bij de volgende controle. Tot vrijdagavond. Ik geniet van een heerlijke kop soep en BAM! Alsof ik een kaakslag krijg! Door heel stil te zitten en een paar slokjes koud water te drinken, vermindert de pijn een beetje. “Nu is het klaar, maandag bel ik de tandarts!” is mijn voornemen. Ik pak een paar paracetamols en duik het weekeind in. Alleen zakt de pijn dit keer nauwelijks. De uren tot de volgende pijnstillers duren erg lang. Als we na een overigens fijne familiebijeenkomst ‘s avonds thuiskomen, kijk ik Manlief aan. “Wanneer is iets spoed?” vraag ik kleintjes. Hij pakt de autosleutels en even later lig ik in de stoel van de dienstdoende tandarts. Een stevige zenuwontsteking “en die gaat zeker niet vanzelf over”, aldus de tandarts. Een van de wortels van mijn achterste kies zit zelfs helemaal dicht met bacteriën. Hij gaat aan de slag. Gelukkig met verdoving, want het lijkt alsof ik onder zo’n machine bij wegwerkzaamheden lig! “Er komt nóg zo’n behandeling”, zegt de tandarts. “Dus maandag gelijk bellen voor een afspraak.” Als we tegen middernacht weer thuis zijn, voel ik me geradbraakt. Maar het is andere pijn. En daar ben ik hoe gek het ook klinkt heel blij mee.


















