
“Gisteren hebben we geluierd, dus vandaag wil ik een wat langere wandeling maken”, zeg ik tegen Manlief. “Een kilometer of acht. Maar ik houd hem in de gaten uiteraard.” De bewuste ‘hem’ gaapt nadrukkelijk. Over een paar maanden wordt hij 15 jaar. Dat geef je hem niet als je ziet hoe fit en flexibel hij is (in tegenstelling tot Manlief en ikzelf als we opstaan). Niettemin: het ritme hier is heel anders dan thuis. Daar maken we ook regelmatig lange wandelingen. Maar niet ‘nagenoeg dagelijks’. We zwaaien nog één keer en lopen dan de weg af. Het eerste stuk door het bos, waar Darwin keurig naast een knalrode paddestoel poseert. Dan gaan we de hei op. Gelijk na het wildrooster staat een kudde wilde paarden. Behoedzaam lopen we er tussendoor. Een van hen is nieuwsgierig naar ‘dat rare kleine paardje’. Darwin blijft netjes stil zitten. Tot hij moet niezen en het paard zich een hoedje schrikt. Verder gaat het weer. We zwaaien naar een boswachter, die zijn duim opsteekt: Darwin loopt keurig aan de lijn. Als ik de route wil vervolgen, staat er een bordje: ‘Vogelrustgebied. Geen toegang.’ Ik kijk op de navigatie en verleg de voorgenomen weg. Geen straf, want we lopen door en langs prachtige stukken natuur. De voorraad ‘portretrechtenafkoop’ slinkt gestaag: Darwin wordt regelmatig gefotografeerd. Nog meer bordjes zorgen voor nog meer aanpassingen. Als we weer thuis zijn, staat er ruim 10 kilometer op de klok. Kreunend laat ik me op de bank zakken. Dan hoor ik een zachte ‘woef’. Twee ogen kijken me aan. Met een bek vol knuffelkoe. Of ik zin heb om te spelen? Ik voel me oud. Heel oud. Een stuk ouder dan ‘bijna vijftien’. En ik ben er blij mee.


















