Bijzondere beagle

Enigszins verontrust kijkt hij ons aan. Hij heeft absoluut geen goede herinneringen aan deze plek. En nu gaan we er alweer naar binnen. Maar waarom dan?! We spreken hem geruststellend toe: het is alleen voor controle van de wond in zijn nek. En daarna gaan we lekker met z’n drietjes naar de Veluwe. Beloofd. Als de arts ons binnenroept, kijkt hij opgewekt. De wond heelt prima. Er zit nog een bult, en die zal waarschijnlijk helaas niet helemaal verdwijnen. Maar als z’n haren over een paar weken weer aangegroeid zijn, zul je het nauwelijks zien. Voor de volledigheid drukt en knijpt hij hier en daar. En knikt dan nogmaals; het is goed. Alle beperkingen worden per direct opgeheven. Hoera! Als de behandeltafel weer naar hondhoogte zakt, zegt hij: “Het is een bijzondere beagle”. Voor ons niets nieuws, maar toch kijk ik hem enigszins nieuwsgierig aan. Hij verklaart z’n uitspraak: “De meeste beagles zijn dik. Kunnen ze niks aan doen. Erfelijk belast. Darwin is niet dik!” Het onderwerp vindt dit zeker een kluifje waard en accepteert dit dus ook zonder gêne. Dan draait hij zich om. Naar de uitgang. Het is genoeg. De Veluwe roept. En wij voldoen aan zijn verzoek. Want Darwin is inderdaad een bijzondere beagle. En wij zijn enorm blij met hem.

Hamsteren!

“Hoe gaat het met Darwin?” We krijgen veel lieve aandacht voor ons hondje. Nu de pleister van de wond af is, zie je pas goed hoe hij is toegetakeld. Daar waar we de ongewenste en mogelijk schadelijke bult hebben laten verwijderen, zit nu een nog veel groter exemplaar, gevuld met wondvocht. Maar dat was aangekondigd, en bevestigd toen ik voor alle zekerheid toch nog maar een keer belde met de dierenarts. Ook onder zijn kin hangt een grote met wondvocht gevulde zak. “Geen zorgen, dat trekt met een week of twee vanzelf weg. Wel in de gaten houden dat het zijn ademhaling niet verstoort.” Het gaat gewoon goed met Darwin. Hij krijgt nog zware pijnstillers, maar hij eet, drinkt, slaapt, poept en plast alsof er niets met z’n nek aan de hand is. Met onze energie is het een stuk minder gesteld. We rennen als malloten achter hem aan om hem te attenderen op wat niet mag: niet springen, niet hollen, niet trekken, niet met andere honden spelen, geen trappen lopen! Wat hij dus allemaal wél wil doen. Zijn kersttrui is inmiddels vervangen door een hippe col, gekregen van oma. Die geeft wat minder ongemak in zijn oksels en meer comfort over de plaats des onheils. So far, so good. Maar dan, als ik hem een kluifje geef, hoor ik ‘m smakken. Ik kijk wat beter. De zak onder zijn kin is verschoven naar zijn wangen. Hij lijkt wel een hamster! Ik schiet onwillekeurig in de lach. “Ach jochie toch, teveel naar de reclame van Albert Heijn gekeken?” Hij kijkt verontwaardigd terug, wat het beeld nog komischer maakt. Nagrinnikend knuffel ik hem. Stiekem zijn we blij dat het goed met hem gaat. Heel blij! Het komt allemaal goed, zeker weten. Kwestie van even doorsmakken.

Over 100 dagen

Terwijl we richting de kliniek rijden voor de operatie van Darwin, horen we op de radio dat het over 100 dagen alweer Kerstmis is. We kijken elkaar glimlachend aan. Na de operatie moet Darwin een rompertje aan om de wond te beschermen. En dat mag een van zijn kersttruien zijn. Perfect getimed dus. Maar de lol verdwijnt snel als we in de wachtkamer zitten. Darwin heeft geen goede herinneringen aan deze plek en kruipt dicht tegen mij aan. De slaapprik doet hem pijn en als we hem even later op de brancard leggen, lopen de tranen over mijn wangen. Wat doen we hem aan? Manlief slaat zijn armen stevig om me heen: “Kom, we zijn nu lang genoeg solidair geweest. Wij gaan ontbijten hier vlakbij.” Even later zitten we met de laptops tegenover elkaar te werken. Tegen het middaguur zullen ze bellen met een update. Maar het is nog geen 10 uur als de telefoon gaat. Verschrikt en een beetje laf duw ik ‘m naar Manlief toe: “Pak jij ‘m alsjeblieft!” Het is goed nieuws. Heel goed nieuws. De dierenarts verwachtte anderhalf uur nodig te hebben. Het ging zo vlotjes, dat hij na een kwartier al klaar was. We mogen hem komen halen! Opgelucht rijden we terug naar de kliniek. De assistente laat ons iets walgelijks in een potje zien. Nou en of hebben we er goed aan gedaan om dit weg te laten halen! We krijgen allerlei instructies voor de komende twee weken: geen trappen lopen, geen contact met andere honden, niet naar de dagopvang. Het is een jaap van een snee en die moet goed genezen. Dan lacht ze. “Mijn collega zag het rompertje met de kerstafbeelding. En heeft de pleister in de vorm van een kerstboom geknipt om in het thema te blijven!” Het onderwerp van gesprek vindt het een stuk minder amusant. Maar eenmaal voorzichtig op de achterbank van de auto gevleid slaakt hij een diepe zucht. Eerst die narcose maar eens wegslapen. Dan eten. En dan zien we wel verder. We hebben nog 100 dagen voor het kerst is.

It’s beginning to look a lot like …

Naast me ligt een heel zielig hoopje hond. We zijn net terug uit de kliniek. De specialist deed me een beetje denken aan mijn neef Colin. Hij spreekt met een zwaar Duits accent en straalt rust en vertrouwen uit. Als hij vertelt dat hij zelf ook twee beagles heeft, ben ik helemaal overtuigd. Het komt vast allemaal goed. Hij onderzoekt Darwin en kijkt hoe deze door de spreekkamer banjert in de hoop dat hier dan tenminste iets te eten is. Hij moest nuchter komen, maar is inmiddels bijzonder slecht gehumeurd. De specialist legt uit dat er drie scenario’s mogelijk zijn: het stelt niets voor, het stelt iets voor maar is te behandelen. Of het is toch helemaal mis. Als Darwin meegenomen wordt voor de CT-scan, ben ik onrustig. Maar zodra de dierenarts weer verschijnt, glimlacht hij geruststellend. Het zit tussen a en b in: een hele grote uitgerekte vetbult die goed te verwijderen is. Als we een afspraak maken voor de operatie, vertelt de assistente dat het een grote snee wordt. En dat Darwin niet aan de wond mag komen. Hij moet dus of een rompertje aan of een kraag om. Bloedserieus vraag ik haar of een kersttrui voldoet. Even kijkt ze me verbaasd aan en schatert het dan uit. “Dat is zelfs perfect.” Ik knik bevestigend, dat dacht ik al. “Hij is ze gewend. Heeft er drie. Dus hij kan kiezen!” Buiten knuffel ik mijn slaperige en nog steeds boze hondje stevig. Voor de kosten kunnen we een nieuwe beagle aanschaffen. Maar dat is geen Darwin. Dus even slikken en dan gelukkig weer doorgaan. Met als bonus dat kerst lekker vroeg begint dit jaar.

Vet waar het niet hoort

“Kijk jij eens, heeft hij hier nou een bobbel?” Darwin en ik liggen heerlijk languit op de bank televisie te kijken. Maar terwijl ik achter zijn oren kroel, merk ik een verdikking op. Manlief kijkt, voelt en knikt: er zit iets wat er niet hoort. Ik maak een paar foto’s en bel de volgende ochtend met de dierenarts. “Ik zit er net naar te kijken”, zegt de assistente. “Maar het is lastig te zien zo. Hoe voelt hij zich verder?” Het onderwerp van gesprek holt op dat moment met een knuffelbeest in zijn bek keihard achter de logeerhond aan. “Kippetjelekker!” antwoord ik, rollend met mijn ogen. Op haar advies maak ik een afspraak later in de week, die ik kan annuleren als de bult uit zichzelf wegtrekt. Maar helaas: vanochtend zitten Manlief en ik in de wachtkamer met een verongelijkte beagle. Ik ken de dierenarts al meer dan 25 jaar en heb vertrouwen in zijn diagnose. Hij knijpt hier en voelt daar. En zuigt dan met een injectienaald wat vocht uit het betreffende gebied om dit onder de microscoop te bekijken. Als hij terugkomt in de onderzoekskamer, kijkt hij bedenkelijk. “Het is vet, en goedaardig. Maar het is veel en op een onhandige plek.” Zijn advies is dus om het door een specialist weg te laten halen. “Want als je er niets aan doet, wordt het steeds groter en krijgt hij moeite met bewegen. Dat kan elders weer overbelasting en slijtage veroorzaken. Het is wel een kostbare ingreep met alle spieren, zenuwen en bloedbanen daar.” Manlief en ik kijken elkaar aan. En knikken gelijktijdig. De dierenarts belooft de gegevens door te sturen en wenst ons succes: “De operatie is op zich niet moeilijk, en Darwin is in een goede conditie. Dus geen zorgen: dit komt wel goed.” Als ik bij de kassa sta, vraagt de assistente: “Hoeveel weegt Darwin nu?” Ik schiet in de lach. “Hij heeft nog wat coronakilo’s weg te werken. En zonder dat vetplakkaat in zijn nek zal hij vast precies het juiste gewicht hebben.” Om er na het zien van het (te) hoge cijfer op de weegschaal aan toe te voegen: “En hij heeft vandaag ook een heel zwaar tuigje om! Maar we gaan er samen tegenaan, zodat over een paar weken alles weer helemaal in orde zal zijn.”

Helemaal niet “zo’n dag”

Na een onrustige nacht word ik moe wakker. Het nieuwe logeerhondje moest nog even wennen. En dat gevoel wilde ze graag met mij delen. Ongeveer elk uur! Ik start bewust met een koude douche om goed wakker te worden. Dan pak ik mijn boeltje bij elkaar, kus Manlief gedag en zet de honden in de auto. Eerst langs mijn moeder om haar hond Misty uit te laten. Die vindt het onverwachte gezelschap van de andere ‘fan-tas-tisch’. Met als resultaat een kluwen in elkaar verstrikte riemen en mij er stevig tussenin. Gefrustreerd stap ik even later weer in de auto, mijn pijnlijk beknelde vingers masserend. Zodra ik de oprit naar de snelweg insla, sta ik stil. De vakanties zijn duidelijk voorbij. Langzaam sukkel ik naar de hondenopvang en vervolgens door naar kantoor. Als ik mijn laptop open, vind ik een redelijk nijdig mailtje. Ik haal diep adem, pak eerst een kop koffie en geef dan een positieve en bondige reactie. Om vrijwel gelijk daarna een antwoord te krijgen: we zijn het duidelijk niet eens en het wordt een niveau hoger gelegd. Barst! Zo’n dag dus. En exact op dat moment schiet er een herinnering door mijn hoofd. Niet in meegaan. Niet de hele dag laten verknallen. Omdenken! Helemaal niet gemakkelijk, maar wel noodzakelijk. Anders kom je niet meer uit die neerwaartse spiraal en stapelen de negatieve voorbeelden zich op. Dus ik bedank uitbundig een collega die mij ‘stiekem toch even helpt’ met een vervelend IT-probleem. Plaag een andere collega met het feit dat hij vandaag zijn verjaardag probeert te verdoezelen #kansloos En geef mezelf als cadeau het jubileumboek van mijn middelbare school die 100 jaar bestaat. Als Manlief me ’s avonds welterusten kust, val ik even later met een glimlach rond mijn mond in slaap. Hopelijk morgen weer zo’n dag.

De laatste plek

“Het eerste weekeind van september. Kun je dan?” Vrijdag heen en zaterdag terug.” Mijn antwoord is kort: “Nee, sorry, helaas.” Maarten wilde graag dat zijn zus en ik hem begeleiden naar zijn laatste rustplaats. Midden in Frankrijk. Maar die vrijdag is de sterfdatum van mijn vader. En zaterdag viert mijn schoonmoeder haar verjaardag. We leggen alle agenda’s naast elkaar. Maar komen er zelfs met veel gepuzzel en goede wil niet uit. Ik zucht: het moet blijkbaar zo zijn. Ik beloof Schoonmama dat ik recht uit Frankrijk doorrijd en aansluit. En ergens is het ook wel passend om na 40 jaar vriendschap de as van mijn vriendje juist op 2 september uit te strooien. Dus stappen we even voor 9 uur in de auto. De rit verloopt voorspoedig. We delen herinneringen, halen verhalen op en lachen om gebeurtenissen uit het verleden. Als we de tolweg verlaten, voert de route ons door typisch Franse dorpjes. Tot aan het geopende hek van de eindbestemming en de warme knuffel van de eigenaresse. We klinken met champagne op zijn leven. En bepalen de exacte laatste rustplek. Zus laat haar broertje liefdevol neerdalen, vriendin strooit rozenblaadjes van de door hem geplante struiken en ik leg vast voor de thuisblijvers. De rust is nadrukkelijk voelbaar, de harmonie gonst om ons heen. Hoezeer we ook tegen dit moment hebben opgezien: het voelt goed. Rust zacht, lieverd. Het is goed zo. We zullen je niet vergeten.

Verstopt

‘Darwin’ staat gelijk aan ‘eten’. En andersom. Je kunt hem alles laten doen voor een kluifje. Maar soms, dan bewaart hij het toch liever voor later. Met name die hele harde botten. Daar moet je de tijd voor nemen, en met zijn drukke schema is dat lang niet altijd mogelijk. Dus toen ik hem vanochtend zo’n bot gaf, zag ik ‘m aarzelen. En vervolgens de kamer inlopen. Hij was zeker een kwartier lang onvindbaar. Als ik polshoogte ga nemen, zie ik dat de deken op de bank in de woonkamer helemaal in elkaar gemoffeld is. Nieuwsgierig kijk ik in het hoekje, maar nee: die plek was blijkbaar toch niet naar tevredenheid. Ook het kleed onder de tafel in de bibliotheek is bij een punt opgerold, maar er ligt niets onder. Dan zie ik in de slaapkamer ons bed. Ik heb het vanochtend opgemaakt. Niks meer van te zien: één ravage en de kussens liggen op een hoop. Darwin houdt alles van een afstandje in de gaten. Als ik me naar het bed toebuig, komt hij in actie. Hij springt voor me langs, grist het bot weg en holt gepikeerd het dakterras op. Ik zie ‘m denken: in dit huishouden blijft blijkbaar niets geheim! Ben benieuwd hoeveel planten ik straks opnieuw in hun pot moet zetten.

Flink schrikken

Ergens hoor ik zacht geknetter en vervolgens schrik ik me wezenloos van een steekvlam uit het stopcontact naast me. Ik trek zonder na te denken de stekker eruit en haal de pan van het fornuis. Wat is er in vredesnaam gebeurd? Manlief is op mijn verschrikte uitroep afgekomen. En merkt op dat het klokje op de oven uit is. Net als de muziek. En de andere elektra in het huis. Als we de meterkast inspecteren, ziet alles er normaal uit. Dan de storingsdienst maar bellen. Een uur later verschijnt een monteur. Hij schroeft een verzegeld kastje open en vervangt iets. “Zo”, zegt hij. “Opgelost”. Op verzoek van Manlief loopt hij mee naar de keuken en bekijkt het stopcontact. “Niks mis mee, het is dat apparaat” en wijst beschuldigend naar mijn favoriete keukenmachine. “Maar die stond uit!” Blijkbaar kan er zelfs dan kortsluiting ontstaan, dus het nadrukkelijke advies is het apparaat te vervangen. Met een groet verdwijnt hij, naar de volgende klant. Ik duik in de armen van Manlief, nog steeds flink ontdaan. “Geef mij een slagaderlijke bloeding of een epileptische aanval en ik weet wat er moet gebeuren. Maar dit? Dit vind ik angstaanjagend!” Manlief schiet in de lach en reikt behulpzaam naar het Grote Scherpe Mes. Met een kreet weerhoud ik hem om voor verdere commotie te zorgen. Eerst koffie. En een glaasje water voor de schrik. En dan de laptop aan om een mooie nieuwe Kitchenaid uit te kiezen.

Een boer met oorpijn

“Je bent een sterke vrouw”, hoor ik regelmatig. Meestal doelt de spreker op het feit dat ik me in een noodsituatie praktisch opstel. Als ik fel ageer tegen (in mijn ogen dan toch) onrecht. Of doorsla in hulpvaardigheid. Ik wuif het weg: zo ben ik nu eenmaal. Maar wat ze niet weten, is dat ik een extreem lage pijngrens heb. In combinatie met aangeboren onhandigheid op het gebied van scherpe messen, leidt dit wel eens tot overdreven vraag om aandacht. Een kleine (maar diepe) snee in mijn hand mag gerust met vele lagen verband aan het zicht worden onttrokken. Zodat niemand hoeft te twijfelen, dat er ‘echt iets aan de hand is’. Dus het zal je als trouwe lezer (niet) verbazen, dat ik me vanmiddag moed- en vrijwillig tot lijdend voorwerp heb laten maken. Ik speelde al een paar weken met het idee, en nu heb ik de knoop doorgehakt. Ik heb in elk oor nu twee gaatjes in plaats van één. De ervaring was gelukkig niet zo traumatisch als toen ik een jaar of negen was en de eerste gaatjes met een forse knal werden geschoten. Eigenlijk viel het zelfs mee. En mijn moeder was ter ondersteuning meegegaan en hield mijn hand vast! “Flink hoor, je hebt ‘m verdiend”, zei de juwelier die mijn voorgeschiedenis kent grijnzend. En reikte me een tegoedbon voor een ijsje bij de buren aan. Ik lachte als een boer met oorpijn. Wie mooi wil zijn, moet pijn lijden. Ik lijd (een beetje), dus ik zal mooi zijn. Kwestie van even doorzetten. Het begin is er.