Gemiddeld tempo

hollenSinds een paar maanden heb ik het hardlopen weer helemaal in focus. Ook bij mij waren enkele coronakilo’s te bespeuren. Maar vooral had ik een enorme behoefte om te ademen, om buiten te zijn. En dus maak ik nu bijna elke dag eerst een rondje van vijf tot acht kilometer. Meestal word ik vergezeld door Darwin. Hoewel hij er aanzienlijk minder moeite mee heeft dan ik, heeft hij namelijk dezelfde extra omvang te betreuren. Zodra ik mijn hardloopschoenen aantrek, zie ik aan zijn snoet hoe de vlag erbij hangt. Als hij echt geen zin heeft, draait hij zich om. En anders wacht hij bij de deur, totdat ik zijn speciale riem om doe. Hij weet precies waar hij naast me moet lopen, dat er geen mogelijkheid is tot snuffelen en dat andere honden worden genegeerd. Meestal pakken we een vaste route, en weet hij de afslagen naar rechts en links.  Maar vandaag maakt hij ineens keihard een noodstop. Ik kijk hem verbaasd aan. Hij kijkt veelbetekenend terug. Ik zet mijn horloge op pauze en geef hem even de vrije lijn. We zijn nog niet op de helft. Is het te warm? Is hij niet lekker? Ligt het tempo te hoog? Hij snuffelt even wat, doet een plas en als ik weer aanstalten maak, gaat hij opnieuw in de remmen. Vreemd, dat doet hij anders nooit. Ik wandel daarom rustig naar een naastgelegen groot omheind veld en doe zijn riem even af om te kijken hoe hij reageert. Hij kijkt me nog één keer aan en zet het dan op een rennen! Zijn gemiddelde tempo is ineens een heel stuk hoger dan het mijne. Met flapperende oren en pootjes stormt hij helemaal naar achteren en holt minstens zo hard naar me terug. Om me dan opgetogen aan te kijken: “We kunnen weer”. Samen lopen we verder: hij vrolijk en ik gedesillusioneerd. Van je hond moet je het maar hebben.

Ritueel geslachte jam

IMG_1703“Ach, zijn alle potten zelfgemaakte kersengemberjam al op? Ik hoopte dat je er nog eentje voor mij over had …” En zo sta ik wederom bij de kersenverkoper voor twee kilo kersen. ‘k Moet ook wel, want ik had één gereserveerd-maar-nog-niet-opgehaald-potje bij voorbaat al aan iemand anders gegeven. Gelukkig is het leuk werk. Ik trek mijn rode t-shirt aan en doe een zwart schort voor. Om het werkveld heen leg ik keukenpapier. De pan plaats ik vlakbij de bak kersen. Dan ga ik aan de slag met het ontpitten. Binnen een mum van tijd ziet de keuken eruit als een rituele slachtplaats. Overal zitten rode spatjes kersensap. Als Manlief de keuken in komt, schiet hij in de lach. Zelfs op mijn gezicht lopen rode streepjes. Als de pan op het vuur gaat, maak ik alles weer schoon. En tien minuutjes later staan er opnieuw een aantal potten jam op z’n kop af te koelen. Klaar voor de verdeling. Dus aan al degenen die ik moest teleurstellen: meld je snel, want op is wederom op.

De doif is (bijna) dood

duifMet zijn bek vol duif kijkt hij me vragend aan. Ik kijk enigszins in verwarring terug. “Los, nu!”, zeg ik gebiedend. Darwin gehoorzaamt, voornamelijk uit gemakzucht. De duif hobbelt weg. Hij lijkt niets aan de confrontatie te hebben overgehouden, maar helemaal jofel oogt hij niet. Daarnaast is de kans dat Darwin een gezonde duif vangt verwaarloosbaar klein. Als ik na onze wandeling terugloop langs dezelfde plek, zie ik hem in een hoekje onder een struik zitten. Daar mankeert dus inderdaad iets aan. Als stadskind vind ik het altijd lastig om te zien. Moet je er iets aan doen? Kun je er iets aan doen? Ik zie mezelf zijn nek niet breken om hem uit zijn lijden te verlossen. Zo’n held ben ik nou ook weer niet. Naar het VOC brengen dan? Het is een duif. Elk dier heeft recht op een diervriendelijke behandeling, maar ze zien me aankomen. Mogelijk overleeft hij mijn poging om hem te vangen en te vervoeren niet eens. “Doif heeft te lang in het doosje gezeten!”, zou Toon Hermans zeggen. Ik inspecteer de bek van Darwin op eventuele restanten van zijn actie en zet dan de gedachten van me af. Bij de avondwandeling kijk ik toch even onder de struik. En zie een heleboel losse veertjes. Als ik nog beter kijk, zie ik dat iemand anders de klus heeft geklaard. De duif is dood. Dank u wel alstublieft.

Nooit meer roze koeken

Willem

Zonder iets te zien, kijk ik uit het raam. Mijn wangen zijn ondanks de hitte buiten nat van de tranen. Op het scherm van mijn mobiele telefoon is het appje nog te lezen: “Willem is vannacht overleden.” Mijn oud-collega, die ik al bijna dertig jaar ken. We hadden nog steeds contact, terwijl hij al jaren met pensioen was en ik het bedrijf ook had verlaten. Onze afspraak half januari ging niet door, omdat Manlief naar een uitvaart moest. We zouden een nieuw moment plannen, maar toen viel corona binnen. Een paar weken geleden heb ik nog als verrassing gebakjes en bloemen voor de deur gelegd. En hoorde ik dat het niet zo goed ging. Maar zodra mogelijk zouden we in de tuin bijkletsen. Net nu het weer kan, is het niet meer mogelijk. Zoveel herinneringen scheuren door mijn hoofd. Zijn onnavolgbare droge humor. Zijn Zeeuwse nuchterheid. Zijn adoratie voor zijn vrouw. Zijn traditionele traktatie bij de koffie: roze koeken, omdat ik die zo lekker vind. Zijn ‘geklaag’ over kuren en kwaaltjes, die door ons dan met een knipoog werden weggelachen. Zijn gedrevenheid om anderen behulpzaam te zijn. Zijn liefde voor de Spaanse taal, en voor het Bredase dialect: hij sprak beide vloeiend. Zijn hardnekkige maar oprechte interesse in oud-collega’s, waarvan het contact met de meesten bij ons allebei was verwaterd. Zijn enorme tuin, waar we samen aardbeien plukten: “voor je moeder dus niet zelf opeten!” Op mijn verjaardag belde hij, zonder uitzondering, want “een kaart zegt niet wat ik wil zeggen: ‘Gefeliciteerd en hoe is het met je?'” Zelf zat hij op zijn verjaardag onbereikbaar in warme oorden. Mijn hart schreeuwt over de onrechtvaardigheid dat ik hem geen gedag meer kan zeggen. Dat hij me nooit meer goedmoedig op mijn kop zal geven als ik volgens hem blijf zeuren over iets onnozels. Een heel klein sprankje fluistert dat we deze herinneringen niet meer konden delen. Dat hij nu niet meer lijdt onder die verschrikkelijke ziekte, waardoor zijn omgeving en hijzelf vervaagde. Maar ik zal hem zo missen. Dag Willem. Jou vergeten is onmogelijk. Vaar wel.

Een handvol legosteentjes

legoheldenHet is mijn werk, dat ik met heel veel plezier doe. Anderen helpen elkaar te helpen. Mensen met elkaar verbinden. Zorgen dat iedereen een beetje op elkaar let, zich bewust is van de vraag van een ander, ook als die bijna onhoorbaar klinkt. Zeker nu is dat belangrijk. Dus ik laat de buurhond uit. Doe de boodschappen voor mijn moeder en haar buurvrouw. Maak nasi voor de halve straat. “Wat goed van je!”, hoor ik iemand zeggen. Ik glimlach even. Als iedereen zijn of haar steentje bijdraagt, komen we hier doorheen. Zo luistert mijn moeder door de telefoon naar iemand die graag wil praten. Stuurt mijn collega een heerlijk nieuw recept: “Lekker toetje voor na je nasi.” Schrijft Michael Renssen een hartverwarmende brief aan zijn vrouw, die in de zorg werkt. “Ik kan niet wat jij doet, ik kan alleen adviseren over de bijdrage van communicatie.” Maar wel op een manier dat het binnenkomt! Zelfs Darwin doet mee en speelt met mijn neefje en nichtje die de knuffel van hun oma zo missen. Manlief houdt mij in de gaten dat ik niet doorsla. En slaat zijn armen stevig om me heen tijdens die huilbui die er af en toe gewoon even uit moet. Ik geloof in saamhorigheid, in community, in de kracht van elkaar. En die paar idioten die ondanks alles nog steeds niet overtuigd zijn? Die je hardop uitlachen als je met een boog van meer dan 1,5 meter om hen heen loopt? Daar heb ik nog een zak legosteentjes voor. Die ik denkbeeldig voor hen uit strooi. Als ze ’s ochtends op blote voeten naar de badkamer lopen. En hoop dat dat ze dan aan het denken zet.

Dag meneer Gross

 

Herman 2

“Vannacht is mijn vader overleden”, schrijft een van zijn zoons. Ik schrik. “Na een kort ziekbed is hij hard achteruit gegaan.” Ach meneer Gross. Ik pak het fotoboek en blader door de tijd waarin ik met hem samenwerkte. Ik was nog piep, mijn eerste fulltime-job. We zaten op de kanteling van ‘u’ naar ‘je’ richting management. Hij zat tussen Gerrit, Frank en Jos. Maar was en bleef ‘meneer Gross. Hij was oldschool en daar was hij trots op. Altijd die vriendelijke lach, die lichtjes in zijn ogen. Zijn bureau stond als enige op een kleine verhoging, zodat hij zicht had op zijn afdeling.  Hij was toegankelijk, maar hield de wind er goed onder. Jaren gingen voorbij. Ik leerde zijn zoons kennen, die bij hetzelfde bedrijf kwamen werken. Soms beklaagde ik me bij hem over hun plagerijen. Hij beloofde een hartig woordje met hen te spreken, waarbij we allebei wisten dat hij zich er heimelijk over verkneukelde en hen dus zeker niet tot de orde zou roepen. Ach meneer Gross. Na zijn pensioen en mijn vertrek hielden we via social media contact. We feliciteerden elkaar op onze verjaardagen en wensten ons en de onzen een gelukkig nieuw jaar. Op enig moment zei hij: “Noem me maar Herman, hoor. Je bent er nu oud genoeg voor.” Ik was net 45 jaar geworden. Soms blikten we terug op de mooie tijden. En te vaak zagen we elkaar als een oud-collega ging hemelen. Dan verzekerde hij me dat het goed ging met hem en dat zijn tijd nog lang niet was gekomen. Tot vandaag. Het is door de RIVM-richtlijnen niet mogelijk om afscheid te nemen. Dat doet me verdriet, maar in gedachten kijkt hij me vermanend aan en ik hoor zijn stem in mijn hoofd: “Maak je niet druk om dat wat je niet kunt veranderen, meisje. Zoek naar een alternatief.” Ik slik mijn tranen weg. Dag meneer Gross, tot ‘ooit’ en doe ze allemaal de groetjes daar!

Herman 1

Big birthday data

IMG_0862

Weer een jaar wijzer. Time flies when you’re having fun, and fun I have. Lots and lots and lots of it. De big data van dit jaar overschrijden die van vorig jaar ruimschoots.

Uitvoering

  • Digitaal: 72
  • Fysiek: 5 #corona
  • Telefonisch: 4
  • Zang: 2
  • Ballon: 3
  • Tekening: 1
  • Slingers: 4
  • Print (kaart): 5

Middelen

  • Facebook: 37
  • Whatsapp: 31
  • Telegram: 6
  • LinkedIn: 9
  • Slack: 1
  • Mail: 3
  • SMS: 2
  • Telefoon: 3

Herkomst

  • Familie: 12+Fee1
  • (Oud)-collega’s: 24
  • Vrienden en bekenden: 41
  • Bekende Nederlanders: 2
  • Buitenlandse relaties: 4

Of het nu om 15, 35 of 55 jaar oud worden gaat: het is en blijft een feestje om jarig te zijn. Een hele blije jarige sluit dus nu haar ogen. En verheugt zich alweer op de volgende keer.

 

“Deze gehoorzaamt beter!”

“Hij is weer zo goed als nieuw!” De fietsenmaker kijkt me tevreden aan. Vanochtend heb ik mijn fiets in een vergelijkbare toestand bij hem afgeleverd. Hier een buts, daar een kras, een geknakte lamp en deuk in het spatbord. Mijn aarzelende blik ziend, voegt hij eraan toe: “Ik heb ‘m extra goed nagekeken, alles wat vast moet zitten, zit vast. En wat moet draaien, draait.” Blijkbaar kijk ik nog steeds onzeker, want hij vervolgt: “Natuurlijk ben je geschrokken. En is het spannend om weer de weg op te gaan. Maar het is net als wanneer je van een paard valt. Het beste is om gelijk er weer op te springen.” En, terwijl ik het stuur vast pak, zegt hij met een knipoog: “Een paard kan je nog wel eens voor verrassingen zetten. Maar deze … (terwijl hij het zadel een klopje geeft), die gehoorzaamt beter.” Als ik voorzichtig weg fiets, hoor ik ‘m nog steeds lachen.

Met de klok mee

“Wat is er gebeurd?” is de eerste vraag bij het zien van mijn gespalkte duim. Ik waarschuw inmiddels visueel ingestelde luisteraars nadrukkelijk vooraf. Maar kan niet voorkomen dat ze hun oren bedekken: “Nee, dat wil ik helemaal niet weten!” De tweede vraag is meelevend: “Heb je veel pijn?” Het antwoord is bevestigend. Paracetamol helpt, maar hoewel ik links goed uit de voeten kan, ben ik echt bij de meeste handelingen hartstikke rechts. En los van de duim was het een flinke smak. Dus met de klok mee: een pijnlijke kin, blauwe plek op mijn linker schouder, opgezette spier waar de tetanus prik is gegeven, geschaafde elleboog, beschadigde handpalm, gebutste knie (die toch al een zwakke plek was), nagenoeg volledig paars rechter bovenbeen, gekneusde rechter rib, De Duim en een wondje boven mijn rechterslaap. Het is al hilarisch om me te zien opstaan van de bank. Maar dit alles is over een dag of tien passé. Morgen bepaalt de traumachirurg de vervolgstappen voor mijn duim. Ook dat komt weer goed. Ik heb geluk gehad. En dat besef ik ten volle. Het heeft gewoon even tijd nodig.

PS: de SEH heeft me met klem geadviseerd om melding te maken bij de gemeente. Het is een beruchte val-plek.

Meisje met de druivensuiker

duimHet begint te druppelen als ik de fietsenstalling verlaat. Ik zet mijn capuchon op en kies de kortste route door het park. Om me heen zet iedereen het op een lopen: binnen een paar minuten hoost het! Ik verheug me stiekem op de thuiskomst: lekker bij de kachel opdrogen in mijn joggingpak. Maar dan, ineens, rijdt mijn fiets tegen een onzichtbare richel die voet- en fietspad van elkaar scheidt. Niet hoger dan een centimeter, maar voldoende om mij tegen de grond te smakken. Om me heen hoor ik geroep en ik voel een ondersteunende arm als ik mijn eigen onderdelen check. Een jongen pelt mijn fiets tussen me uit en een meisje strijkt het haar uit mijn gezicht. “Gelukkig, je viel voorover op je gezicht, maar dat valt zo te zien mee.” Dan aarzelt ze: “Je duim ziet er wel raar uit …” Het bovenste kootje staat naast het onderste. Even duizelt het. Dan neemt ze het heft in handen. Ze zet mijn fiets even verderop op slot, Manlief wordt gebeld en ik krijg een druivensuiker. “Je voelt geen pijn door de shock en adrenaline, maar je lichaam heeft suiker nodig.” Ze houdt een opvouwbaar parapluutje boven mijn hoofd: het water druipt van ons af. Maar ze wil van geen wijken weten. Pas als ik in de auto stap na haar nogmaals te hebben bedankt, vervolgt ze met een “Sterkte en beterschap!” haar weg. Bij de SEH krijg ik gelijk voorrang en wordt de duim weer in elkaar gezet. Voorzien van een spalk mag ik naar huis. Donderdag, als de zwelling is verdwenen, moet ik naar de traumachirurg voor dubbelcheck. Maar het lijkt erop dat ik ‘geluk’ heb gehad. Mede dankzij het meisje met de druivensuiker.