Flopperietjes

‘Wat een mooi weblog, ik hoop dat het schrijven je wat troost biedt’, schreef de cursusleidster van de opleiding die ik op dit moment volg. En dat doet het. Toen we hoorden dat we afscheid moesten nemen van Floppy, zei ik tegen manlief dat ik wilde stoppen met D’s Days. Dat het te confronterend zou worden zonder mijn geliefde inspiratiebron. Maar ik had het mis. Het helpt me mijn verdriet onder woorden te brengen. En jullie reacties zijn zo hartverwarmend. Dus dat voornemen is van de baan. Maar het zette me ook aan het denken. Ik schrijf sinds mei 2002. Helaas zijn de eerste twee jaren verloren gegaan bij een computercrash. Maar als ik nu stukjes uit 2004, 2005 en verder lees, verschijnt er regelmatig een glimlach op mijn gezicht. Wat was het toch een schoffie! Zijn streken, zijn peperkoeken hartje, zijn avonturen. Alles heb ik aan D’s Days toevertrouwd. En dat bracht me op het idee om ze bij elkaar te bundelen in een boekje. Manlief ‘zit in de boeken’ en heeft wat contacten met drukkerijen gelegd. Zodat we er ook een mooie uitgave van kunnen maken. Het boekje hoeft niet in de winkels te komen, zover reikte de faam van Floppy nou ook weer niet. Maar ik weet zeker dat een aantal vrienden, familieleden en collega’s graag een exemplaar willen hebben. Om af en toe nog eens in te kijken en te lachen om zijn belevenissen. Als jij ook graag een boekje wilt, laat het me dan gerust weten via email of het reactietool.

Advertenties

De laatste en de eerste keer

Afgelopen weekeinde stond stiekem toch telkens in het teken van ‘laatste keer’, al probeerden we daar zo min mogelijk bij stil te staan. Laatste keer boodschappen doen en bij het rek met hondenvoer zoeken naar de lekkerste kluifjes. Samen naar mijn moeder voor de koffie. En vooruit, nog een laatste keer poseren dan. Hij was zo fotogeniek. Baalde alleen als de flits in zijn ogen weerkaatste. Laatste keer Sydney op bezoek, en mijn broer met zijn gezin. Nog een keertje ‘dag’ zeggen. Laatste keer naar het park. Wel met de Flopmobiel, want zelfs dat kleine eindje kon hij niet meer helemaal lopen. Hij zat zo tevreden te kijken. Toen werd het ‘eerste keer’. Gaan slapen zonder zijn vertrouwde kopje geaaid te hebben. De eerste keer ’s ochtends lunchpakketjes maken zonder dat hij achter me stond te kniezen bij zijn ‘gewoon gezonde brokken’. Ontbijten zonder een enthousiast hondje aan onze voeten, wachtend op zijn plakje boterhamworst. De eerste keer uit de auto stappen en hem niet van de achterbank hoeven tillen. Dat moest altijd zo snel mogelijk, want hij vond het toch een beetje genant voor de buren dat hij niet meer zelf uit de auto kon springen. De eerste keer onder de douche zonder dat ik een donkere vlek op hondhoogte door de douchedeuren ontwaarde en hem lachend voor ‘vieze ouwe gluurder’ uitmaakte. Hij hield altijd in de gaten waar we waren en wat we deden. Ik twijfel nu ineens of ik hem wel een laatste knuffel heb gegeven voor hij insliep. De tranen beginnen weer te stromen, onbeheersbaar. Niet voor het eerst. En niet voor het laatst.

Weer thuis

‘Best confronterend toch, he’, zegt de mevrouw van het dierencrematorium. Ik kijk naar de koker van bamboe met de as van Floppy erin. En schud mijn hoofd. Dat is niet Floppy. Dat is van Floppy. En het gaat mee terug naar huis, het hoort bij ons. Mijn moeder slaat even haar arm om me heen. In de auto kijk ik nog eens. ’t Is best mooi gemaakt. Maar het is zeker weten niet Floppy. Thuis begin ik met wat van zijn spulletjes op te ruimen. Ik kan nog niet alles weggooien, te emotioneel beladen. In elke kamer vind ik pijn en gemis. Manlief mailt dat hij ‘pas’ vier keer is volgeschoten. Hij is toch naar kantoor gegaan, daar liggen minder herinneringen op de loer. Ik kan het nog niet, wil mijn collega’s ook niet van streek maken. Morgen misschien. We hebben er vrede mee dat hij moest gaan. Hij was zo oud en zo moe. Volgens de dierenarts had het nog hooguit een dag of tien geduurd. Maar het waren voor Floppy extreem zware dagen geworden. Er zat vocht rond zijn longen en zijn nieren, toch al een zwakke plek, werkten niet goed meer. Dan vergiftig je jezelf langzaam. Maar het was een bijzonder hondje. Een persoonlijkheid. Als ik de stukjes van dit log uit 2004 teruglees, schiet ik regelmatig in de lach. Hij jatte een tennisbal toen we bij mijn broer de planten water gaven tijdens diens vakantie. Hij was bang van onweer en wilde dan perse tussen ons in slapen. Hij was gek op mandarijntjes. Hij zat achter onze dwergpapegaai Bertje aan. Zoveel verhalen, zoveel herinneringen. En zo’n hond mis je dus enorm als hij er niet meer is. Hij zit in ons hart. Maar dat is afgelopen maandag gebroken.

Reacties

Masha informeerde ons per email dat het reactie-tool niet meer werkt. We wilden jullie niet confronteren met de SPAM-vraag: ‘Hoe heet onze hond Floppy’. Vandaar dat we het hebben verwijderd. En ons er niet van bewust waren dat het filter nog steeds aan stond. Manlief heeft de vraag nu weer teruggezet. Deze wordt veranderd, hij is te pijnlijk, maar ook daar nemen we onze tijd voor. We stellen alle meelevende, lieve en begripvolle reacties zo enorm op prijs. Marian, bedankt dat je Floppy de weg hebt gewezen naar de regenboogbrug. Het geeft net dat beetje troost wat we nodig hebben om door te gaan. Het komt wel goed. Het heeft tijd nodig. En die hebben we genoeg. Bedankt!

Zo moeilijk

Een half uur voor de komst van de dierenarts stort ik in. Ik smeek manlief om hem af te bellen. Maar achter me hoor ik het hijgen van Floppy. We moeten doorzetten. De dierenarts is wat te laat, maar komt te snel. Als hij binnen komt, schrikt hij zichtbaar. Ik wilde hem vragen om Floppy nog een keer te onderzoeken, echt zeker te weten dat er geen keuze meer is. Maar zijn gezicht zegt genoeg. Hij neemt een kopje koffie aan en geeft Floppy dan zijn eerste spuitje. We zitten op de grond om hem heen. Hij zakt zachtjes weg in de armen van manlief en legt zijn hoofd op mijn handen. Een kwartiertje later is het voorbij. We leggen hem in zijn mandje, het is net of hij slaapt. Hij is nog zo zacht en warm. We drinken nog meer koffie en bladeren door de heel vele foto’s. Af en toe streel ik hem, bijna gedachteloos. Als het tijd is om naar het dierencrematorium te vertrekken, leg ik een doek over hem heen. En til hem zelf in de auto. Je moet goed kijken om zeker te weten dat hij niet ademt. Bij Viviana zegt een mevrouw verbaasd dat ze nauwelijks kan geloven dat hij bijna 18 was. Hij ziet er nog zo mooi uit. Dan is het tijd voor het definitieve afscheid. Ze vraagt of we soms liever nog een keer terug komen, maar dat wil ik niet. Ik huil tot ik geen tranen meer over heb, met de armen van mijn moeder en manlief om me heen. De thuiskomst is enorm zwaar. Het huis is niet meer veilig, warm en vertrouwd. Ik kwam hier achttien jaar geleden wonen, met Floppy als zes weken oude pup. Broer neemt me in zijn armen, en weer zijn er tranen. Ik hoor Floppy, zie hem om de hoek verschijnen. Ook manlief is radeloos van verdriet: ‘Hoe kan zo’n klein hondje nou zo’n gat veroorzaken!?’ Mijn moeder zorgt voor koffie, voor wijn en voor het eten. Ik zie het aan, heb de energie niet om te helpen. Terwijl ook zij intens verdrietig is. Halverwege de avond zijn we alleen. We lopen voortdurend tegen rituelen op: zijn lege mand, een vergeten speelgoedbal, geen kluifje meer bij de koffie, geen extra keer buiten zetten, geen laatste avondwandeling. Met onze armen dicht om elkaar heen vallen we in slaap. We komen hier wel doorheen. Maar het is zo moeilijk. De pijn is zo groot.

Cocon

De uren vliegen voorbij. We zijn ons van elke seconde bewust. In overleg met de dierenarts, die het ook een vreemd idee vindt afscheid te moeten nemen van zijn trouwste ‘fan’, gaat het dieet grotendeels overboord. De lekkerste kluifjes komen in huis en verdwijnen in een gretige bek. Hij vindt Parijse bollen zo lekker, althans, de banketbakkersroom. De bakker legt er speciaal voor hem twee opzij. Iedereen kent Floppy, iedereen leeft mee. Hij heeft het aantal dienstjaren van twee honden. We knuffelen, aaien en maken foto’s. Als die straks te zeer beladen zijn met verdriet, kijken we er niet meer naar. Maar we hebben ze wel. We zitten in ons coconnetje en denken niet vooruit. Soms is er die twijfel: ‘Kijk dan, hij doet zo vrolijk. En hij sliep net lekker volgens mij. Doen we er echt goed aan?’ De foto hiernaast is een uurtje geleden gemaakt. Maar dan denken we terug aan afgelopen nacht, met die raspende, gierende ademhaling. Zo gaat het nu al weken. Het eindeloos lopen, omdat hij niet meer kan liggen zoals hij wil. Broer, schoonzus en nichtje komen afscheid nemen. Raar dat zij hem zich nooit zal herinneren: tien maanden is nog te jong. De mailbox, mijn mobieltje en dit log stromen over van de reacties. Zonder uitzondering geschokt. Waar wij dachten dat we reacties zouden krijgen in de trant van ‘Wij vonden het jaren geleden al hoog tijd’, moeten we vrienden soms juist overtuigen dat het echt op is. Zelfs de organisatie van ‘De leukste hond’ reageert onthutst: hij was de oudste halve finalist ooit! Ze steunen ons in ons besluit om ‘m de autorit van tweemaal anderhalf uur niet meer aan te doen. Hij is toch de leukste hond van Nederland, ook zonder certificaat. Mijn moeder is meer hier dan in haar eigen huis. Zij heeft bijna achttien jaar lang vier of vijf dagen van de week op hem gepast, als wij naar het werk waren. Ook voor haar is het zwaar. Maar we zetten door. Ik hoop dat ik morgen de kracht vind om de deur open te doen. Om de dierenarts niet weg te jagen. Maar het is tijd om te gaan. Nog iets minder dan een dag.