Nummer 24

IMG_3135

Hij weet het nog niet. Maar ik wel. Manlief heeft een pakje ontvangen dat niet bevalt. Het moet retour. Via een postagentschap. Het postagentschap. Hier schuin tegenover. Waar we langs lopen tijdens de thuiswerkdag-middagwandeling. En af en toe naar binnen gaan. En als we dat doen, dan krijgt hij een kluifje. Soms zelfs twee! Vandaag is het dus weer zo’n dag. Hij kan z’n geluk bijna niet geloven. Dan stormt hij naar de kassa. Om erachter te komen dat het druk is. Erg druk. Maar liefst vijf klanten voor hem. Normaalgesproken zou ik omdraaien en later terug komen. Maar dat kan ik hem niet aandoen. Hij gaat keurig netjes achteraan zitten. Trillend van de spanning wacht hij zijn beurt af. Een klant vertrekt en nog een. Telkens schuift hij een stukje mee naar voren, strak de bewegingen achter de kassa in de gaten houdend.  De man voor hem draait zich op een bepaald moment om. Ik reageer op zijn vragende blik: ‘Hij weet dat hij zometeen iets lekkers krijgt’, licht ik toe. Hij lacht. Vanaf dat moment kijken drie paar ogen gespannen naar de slinkende rij. Als de man zijn boodschappen heeft afgerond, doet hij een stapje achteruit: ‘Ik wil het even zien.’ Darwin schenkt geen enkele aandacht aan hem. Hij mag! Het meisje achter de kassa had hem allang in de gaten en laat geen seconde verloren gaan. Ze komt er zelfs voor achter de toonbank vandaan. Als we even later gezamenlijk de winkel verlaten, wenst de man ons nog een fijne dag. En voegt eraan toe: ‘ik moet dit echt thuis gaan vertellen. Dat ik bijna geneigd was om een hond voor te laten gaan in de rij!’ 

Advertenties

Spaanse griep

ziek

Maandag is er niets aan de hand. Ik haal bruin en bruisend mijn collega op voor een afspraak. En praat honderduit over de afgelopen week in Spanje. Goed uitgerust werk ik vervolgens de e-mails die tijdens mijn afwezigheid zijn binnengekomen af. Wat is het toch lekker om even bij te tanken en met hernieuwde energie weer aan de slag te gaan. Aan het einde van de middag merk ik wel dat ik wat keelpijn heb. Vanuit mijn periode als bloeddonor weet ik dat dit geen goed teken is. Maar ik drink wat extra water en wuif het weg. ’s Avonds nies ik een paar keer door de geluidsbarrière heen. En kruip hangerig onder een dubbelgeslagen winterdekbed zonder echt warm te worden. O-oh. Na een nagenoeg slapeloze nacht zet ik mezelf onder de douche en stap ik in de auto voor een externe afspraak. Niet wetenden dat het FileDramaDag is. Voor een rit die normaal gesproken drie kwartier duurt, heb ik nu bijna twee uur nodig. Ik worstel me door de afspraak heen. En rijd door naar Amsterdam voor een training, waarbij ‘rijden’ een sterk overtroffen werkwoord is. Iets met een afgesloten tunnel en een omleiding door neverneverland. Net op tijd meld ik me bij de gastvrouw. En zit de tijd min of meer uit: te beroerd om mijn aangeboren enthousiasme in praktijk te brengen. Ik sukkel met heel veel landgenoten terug naar huis, onderweg Manlief oppikkend die het stuur gelukkig overneemt, zodat ik even mijn ogen dicht kan doen. Na een wederom niezend, hoestend en proestend doorgebrachte nacht besluit ik mijn afspraken voor vandaag af te zeggen. Het is niet langer een kwestie van willen, het gaat gewoon niet. Ik sleep me naar de drogisterij en haal zoveel mogelijk hulpmiddelen in huis. Mijn leidinggevende belt bezorgd: ‘Je hebt toch niet de Spaanse griep?’ Ik glimlach. Houd het persoonlijk op zwaarverkouden. En kruip op zijn aandringen terug onder mijn vier lagen dekbed. Morgen gezond weer op. Beloofd. Maar nu even niet.

Noodgeval

 

We wonen in een winkelstraat. Een drukke winkelstraat. Er is van alles te vinden: supermarkten en snuisterijen. Kleding en kappers. Bistro’s en bijzonderheden. Ik woon er al bijna mijn hele leven met heel veel plezier. Ik ken veel van de bewoners en winkeliers. En hun blije en minder leuke kanten van het leven. Geboorte staat naast de dood, verjaardag naast bedrijfsbeeindiging. Ook Manlief tikt alweer zijn koperen verblijfsjubileum aan. ‘Kijk’, zegt hij: ‘er staat een ambulance, recht voor de deur!’ Ik loop naar het raam met een bezorgde blik op mijn gezicht. Wat is er aan de hand en met wie? Er staat inderdaad een gele auto met de alarmlichten aan. De winkels zijn gesloten dus het moet om een bewoner of een bezoeker van een van de restaurants gaan. Gespannen wachten we op beweging. Dan gaat de deur van het Indonesische restaurant tegenover ons open. Twee broeders komen in hun fel geel-groene kleding maar buiten. Maar in plaats van een brancard en een draagbare AED hebben ze plastic tasjes in hun handen. Verbaasd zien we hoe ze zich installeren in de ambulance. En met zichtbaar genoegen de doosjes en pakjes met inhoud openen.  Want een mens moet eten. Ook als je op een ambulance rijdt. Met of zonder sirene. 

Grapjurk

  

Mijn ervaren oog scant zonder mijn looppas te vertragen de borden. Geroutineerd volg ik de namen van de steden naar de M van Madrid. ‘Bagageband 10’, roep ik achterom, terwijl ik mijn weg vervolg naar de tweede hal. Als ik het juiste nummer ontwaar, zie ik dat het stelletje voor mij een beginnersfout maakt: ze pakken de trap voor de band naar beneden. Terwijl de bagage als eerste verschijnt onderaan de tweede trap! Ik neem mijn vaste plek vooraan in. Manlief schiet in de lach en schudt zijn hoofd. ‘Het is geen wedstrijd, he!’ Hij gaat op z’n gemak halverwege staan. Dan klinkt het waarschuwingssignaal: de band begint te draaien. Al snel zie ik de eerste van onze koffers, gevolgd door een tweede. Maar ik heb vaker met dit bijltje gehakt en zet ze keurig voor me op de grond. Dan schiet iemand van achteruit ineens voor mij langs en grijpt een koffer, mij daarbij onbedoeld een por gevend. Manlief schatert bij het zien van mijn woeste blik. Maar ik word afgeleid door de derde koffer en haal deze met een veelbetekenende blik op de onverlaat weg uit de rij. ‘Ach’, roep ik gemaakt onschuldig naar mijn echtgenoot: ‘Daar is nummer vier al. Ik heb mijn handen vol. Pak jij die?’ Manlief schudt zijn hoofd. Hij kent mijn grapjes. Als we even later de pendelbus naar P3 instappen, zegt de buschauffeur, wijzend op mijn t-shirt: ‘Naar Duitsland geweest, mevrouw?’ ‘Nee hoor’, antwoord ik. ‘Naar Madrid. Maar ik had vandaag zin om mijn t-shirt uit Berlijn aan te trekken.’ Waarop Manlief aanvult: ‘Ligt aan haar, hoor. Niet aan u. Haar grapjurk zit namelijk nog in de koffer!’ 

Zwembad

 Als er een enorme pre aan dit vakantiehuis zit, is het wel het zwembad. Niet zomaar een knullig goedbedoeld poedelbadje, maar een heuse betegelde met water gevulde kuil van 12 bij 6 meter, en royaal 2 meter diep. Elke dag, zonder uitzondering, was het de afgelopen week de eerste actie van de dag: een duik in het zwembad. Ook als de zon pas net op was en de buitentemperatuur krap 7 graden aangaf. Heerlijk. We zitten hier maar een week en de instructies om het schoon te houden, waren beperkt tot het hengelen naar wat dennennaalden en al dan niet verdronken insecten (afhankelijk van het moment van ontdekking). En die taak werd onuitgesproken aan Manlief toebedeeld. Een paar keer per dag zag je hem met het schepnet in de weer om het de dames in het gezelschap (en hemzelf) zo aangenaam mogelijk te maken. Wij mochten er graag naar kijken. Die rollende spierbundels onder het net iets te strakke shirt, de geconcentreerde blik in zijn ogen, een paar verdwaalde zweetdruppeltjes die op zijn voorhoofd parelden. Soms wierpen we zonder dat hij het zag een handvol naalden in het bad, om met een veelzeggende blik zijn aandacht op het euvel te vestigen. En nogmaals te kunnen genieten van het uitzicht. Morgen zit het er weer op. De vakantie loopt ten einde. Nog een frisse duik voor het ontbijt. Misschien, als ik het heel lief vraag, maakt hij het bad van tevoren nog een laatste keer schoon. Als herinnering voor later.

Zeg maar ‘ja’ tegen het leven

Schoonmama  spreekt een paar woordjes over de grens. Ze weet hoe ze een biertje moet bestellen in drie verschillende talen naast het Nederlands. En verstaat het een en ander aan Engels. Maar Spaans is een compleet ander verhaal. De woorden tonen ook weinig gelijkenis met de ons omringende landen. Als we aan tafel zitten en de ober haar vraagt of hij mosterd voor haar spareribs zal halen, zegt ze tot onze verbazing ‘si’. ‘Ik begreep niet wat hij zei, dus ik zei maar “ja”. We lachen. ‘In dat geval kun je beter op alles “nee” zeggen hier’, raad ik haar aan. Dan verschijnt de ober weer en kijkt geinteresseerd naar ons plezier. Ik leg het hem uit en vraag of hij de mosterd dus weer mee wil nemen. ‘Maar dat is geen goed advies’, sputtert hij tegen. ‘Het leven is veel mooier als je het open tegemoet treedt.’ En met een knipoog naar mij, vraagt hij Schoonmama: ‘Zal ik je op een biertje trakteren? Mag ik “je” zeggen? Ga je straks met me mee naar huis? Zal ik eens heel lief voor je zijn? En mijn acht vrienden ook?’ Hij zegt het met een brede lach en absoluut niet kwaad bedoeld. We lachen allemaal. Als we het restaurant verlaten, zeg ik tegen Schoonmama. ‘Doe toch maar wat ik heb gezegd. Voor de zekerheid. Want anders wil je straks helemaal niet meer mee naar huis!’

Als God in Spanje

  

We ontwaken zonder wekker. Als we ons eens lekker hebben uitgerekt, slaan we een handdoek om onze gebruinde schouders en lopen naar het zwembad voor een paar verfrissende baantjes. Dan hijsen we ons in een short en zomers t-shirt en rijden naar het dorp voor verse broodjes, nog warm uit de oven. We besteden uitgebreid aandacht aan het ontbijt met koffie en jus d’orange. Dan nemen we wat lichte literatuur mee naar het oostelijk terras, dat al heerlijk in de zon ligt. Na een paar uur is het Sangria-tijd: een heerlijk koele nationale fruitdrank met een zweempje alcohol. Als we soezerig van de warmte en de wijn onze oogleden voelen zakken, is het toevallig net tijd voor de siesta, een verplicht onderdeel van de dag hier. Na wederom een duik in het koele water bereid ik tapas voor het hele gezelschap. Happy hour begint wat eerder in de mediteraanse landen en we passen ons alweer aan. We hebben geen zin om uit eten te gaan maar de keuken hier biedt voldoende mogelijkheden voor iets lekkers en gemakkelijks dat buiten op het terras kan worden genuttigd. De zon verdwijnt langzaam achter de bergen, maar de temperatuur daalt nauwelijks merkbaar. We zitten nog tot laat buiten, luisterend naar geluiden van de nacht en de waakhonden in de buurt die elkaar goedenacht wensen. Als ik mijn ogen sluit, bedenk ik dat God dan wel in Frankrijk lijkt te wonen, maar dat hij toch zeker een vakantiehuis in Spanje moet hebben.