Met de moed der wanhoop

De beweging is in feite nauwelijks waarneembaar. Maar vanuit je ooghoek zie je scherper dan gericht. Zodra mijn blik die van haar kruist, verstar ik. Roerloos kijken we elkaar aan. Uiteindelijk dwing ik mezelf met een onmetelijke krachtsinspanning een paar centimeter achteruit. Net ver genoeg om de relatieve veiligheid van de badkamerdeur in mijn rug te voelen. Even adem ik diep in en uit. Probeer halfslachtig te kalmeren. Tevergeefs. Ze heeft me in haar macht, volledig. En ze weet het. Zonder met mijn ogen te knipperen, spreek ik mezelf zo ferm als mogelijk toe. Ik besef terdege dat ik er alleen voor sta. Maar weet dat ik het mezelf nooit vergeef als ik me nu laat kennen. Dit is het moment om krachtig op te treden, moed te tonen. Elk moment dat ik aarzel, kan het te laat zijn. Dus in een vloeiende beweging gris ik een trimschoen van de vloer en sla keihard toe. Raak! Ik duik snel mijn hoek weer in en wacht tot Manlief terug komt van zijn avondwandeling met Darwin. Hij doet geen moeite zijn lach te bedwingen als hij op mijn aangeven het lijk oppakt en verwijdert. Hij is mijn held. Zo een die goddank niet bang is van spinnen!

Nostalgie

De eerste jaren dat we hier kwamen, viel boven op de Buchensteinwand een prachtige boom op. Hij stond aan de rand van de piste en had een mooie bolvormige kruin. De takken werden tot in detail geaccentueerd met een laag sneeuw. Het werd een ijkpunt voor onze vele afdalingen. Toen we ook in de zomer naar deze plek op vakantie gingen, brachten we altijd even een bezoek aan ‘onze boom’. Met de gondel naar de top van de berg, een mooie wandeling over de alpenwei en uitrusten op het bankje onder het bladerdak. Alle stress gleed van je af. De jaren verstreken. Onze groep werd groter en groter. Het jongetje dat met z’n ouders op de grote foto boven de haard in de lounge te zien was, nam het hotel over en gaf er zijn eigen draai aan. Onze vaste pauzeplek op de piste werd omgebouwd tot een sauna en welness. De vergaderzaal verdween en werd aan de bar toegevoegd. We kwamen nog steeds een- of tweemaal per jaar. Namen afscheid van medewerkers en leerden nieuwe kennen. Sommige namen verdwenen in de vergetelheid. Anderen sturen nog steeds een kerstkaart. En de groep werd kleiner door schoolverplichtingen en de eerste kwaaltjes. Nu sta ik weer bovenop de berg. De sneeuw knispert onder mijn ski’s. Ineens zie ik onze boom. Hij wordt oud: zijn ooit zo krachtige takken zien grijs en verweerd. Maar hij is er nog. En het lijkt alsof hij naar me knipoogt: ‘Carpe diem!’ Nog een laatste keer daal ik de berg af en dan worden de ski’s weer opgeborgen. Dag boom, dag St. Jacob I.H., dag Maria, Alexander, Sigrid, Wolfgang en medewerkers Kitzspitz. Bedankt voor de gastvrijheid en dosis energie. Und bis nachstes Jahr!

Jong van geest

Als ik in alle vroegte naar het uitzetten van de gondels kijk, zie ik dat ze het aantal gehalveerd hebben. Dat voorspelt niet veel goeds voor de kwaliteit van de sneeuw. Ik heb de pistes bijna voor mij alleen om deze tijd van het jaar. Zo tot aan de lunch is het goed te doen, maar daarna verandert het razendsnel in natte pap. Afgelopen nachten vroor het nog een paar graden, maar volgens de voorspelling is dat nu ook voorbij. Daar spelen ze blijkbaar al op in. Bij het ontbijt besluiten we om naar een gebied hier in de buurt te rijden, waar de pistes hoger liggen. Mijn skipas geldt ook voor de omliggende  gebieden, maar die van mijn moeder biedt slechts toegang aan onze pistes. Ik loop dus naar de kassa en koop een dagkaart voor haar: ‘Einmal senior, bitte.’ De dame kijkt me aan en vraagt dan vriendelijk om mijn paspoort. Even begrijp ik haar niet, dan schiet ik in de lach. Ik wijs naar mijn moeder, die een stukje verderop Manlief helpt met het uitladen van de skies.   ‘Die Karte ist fur sie. Sie ist 75 Jahre.’ Dan lacht ook de dame. Ze verontschuldigt zich en zegt dat ze al twijfelde. Ach. Normaalgesproken word ik veel jonger geschat. Een keertje 14 jaar ouder lijken, is weer eens iets anders. 

Schoner Tag

“Wat is er aan de hand?”, vraagt de man met de groene muts. “Is hij defect?” Ik werk me achteruit bij de toegangspoort naar de sleeplift vandaan. Mijn moeder en ik hebben net een paar pistes afgevinkt. En nu gaat ze in het hotel koffie drinken. Ik wilde in de tussentijd nog even terug naar de top en weer naar beneden. Zo ’s ochtends is de sneeuw namelijk prima, maar rond de middag worden het zompige hopen. Geen lol aan en geen tijd te verliezen dus. Maar. Het is vakantie. Niks moet, heel veel mag. Dus ik heb me bedacht en besloten dat ik ook zin heb in een koffiepauze. Daarom ga ik niet door de poortjes. En dat vertel ik in keurig Duits tegen de man die me aanspreekt. Hij lacht en geeft me gelijk. “Schonen Tag” wensen we elkaar toe. In de hotelhal tref ik mijn moeder in geanimeerd gesprek met de receptioniste en de hoteleigenaresse aan. Ik bel naar onze kamer en vraag of Manlief ook naar beneden komt. En zo zitten we even later gezellig met z’n allen aan de koffie. We kletsen over de komende verkiezingen en het effect op andere Europese landen. Over kinderen, honden en de vakantieplannen volgend jaar. De komende grote verbouwing annex uitbreiding en hoe het ooit was. Als ik na een half uur zonder spijtgevoelens weer op de skies stap, glimlach ik. Inderdaad een schoner Tag!

Traumhaft

Onze slaapkamer heeft geen verduisteringsgordijnen. En met al dat wit buiten word ik dus keurig om half zeven wakker van het daglicht. Een half uurtje soezen lukt nog net. Maar dan stap ik uit bed. We hebben een appartementje in ons hotel, dus zonder Manlief te storen loop ik via de huiskamer het balkon op. Brrrrrrrrr, het is ver onder nul. De zon beschijnt de top van Kitzbuhler Horn. Ik adem in en uit: zalig. Dan maak ik een kop thee voor mezelf en verdiep me tot de rest wakker wordt in een boek. Na het ontbijt gaat Manlief een eindje wandelen, moeder op het balkon in de zon zitten en ik stap op mijn skies. De pistes lijken op een strakgetrokken wit laken. Ik stippel mijn route uit en zet af. Na een paar uur heb ik alle pistes in ons gebied, zo’n 100 km, onder de latten. En is het sneeuwlaken ‘rommelig en beslapen’. Genoeg voor vandaag. Na de lunch rijden we naar een winkeltje een paar dorpen verderop en oriënteren we ons in de lokale supermarkt op het chocolade-assortiment: traditioneel wordt het nodige aan souveniertjes meegenomen. De rest van de middag zit ik met mijn boek in de zon op het terras. Af en toe plaag ik Herr Oberkelner (en vice versa), maak ik grapjes met Sigrid achter de receptie en geef ik Manlief een stevige knuffel. Alle stress, drukte en spanning ligt in een hoopje sneeuw naast de voordeur. Urlaub hier ist traumhaft wie immer. Und wir geniessen vom Kopf bis Fuss. 

Monsterlijk

Tegen de verwachting in liggen de pistes er superstrak bij. Het is overdag tegen tien graden boven nul en de meeste sneeuw houdt daar helemaal niet van. Maar ’s nachts daalt de temperatuur tot ver onder het vriespunt. Met als resultaat een knisperend geluid onder je skies. Ik glijd vanaf de lager gelegen piste recht de stoeltjeslift naar de top in. En besluit om de langste route te nemen: rechts naar halverwege de berg, dan terug naar de top, een stuk naar links en rechtsaf richting het dal, weer naar boven en de familieroute terug naar het hotel. Maar bovenaan het tweede deel van mijn voornemen betrekt mijn gezicht. Dit is de lastigste piste van het hele gebied, vind ik. We komen al 25 jaar hier. Kennen elk stukje onder elke weersomstandigheid. Nu schijnt de zon uitbundig en het bovenste deel van de helling is stijl, smal en ligt in een bocht. Als je te laat bent, moet je van papperige hoop naar zompige bobbel manoeuvreren. En ik ben te laat. Barst. Het is niet eens fatsoenlijk zwart zodat je er thuis over kunt opscheppen. Ik verfoei ‘m dus met verve. Het zij zo. Ik adem diep in en zet af. Probeer tijdig te draaien maar zit natuurlijk al vast in de rand. Voorspelbaar. Dan maar ‘in ploeg’ de punten van mijn skies keren. In gedachten hoor ik de coachende stem van mijn broer. Hij zou in een rechte lijn nauwelijks welke belemmering dan ook tegenkomen op dit monster. Maar ja, hij is dan ook een natuurtalent. Ik foeter en tier, draai en struikel de berg af. Vanuit het dal kijk ik naar het spoor dat ik achterliet. Weer overleefd, net als de talloze keren hiervoor. De rest van de route maak ik het mezelf gemakkelijk en geniet ik met volle teugen. Als ik na nog een paar afdalingen mijn skies opberg voor vandaag, neem ik me stellig voor om morgen eerder de berg op te gaan. Een hele week om die verdraaide piste te bedwingen en te overwinnen! Het zal me lukken. Net als elk jaar. 

Van huis naar thuis

“Laten we voor de zekerheid om half vijf vertrekken. Vroeg is het toch!” Normaal rijden we op vrijdag naar de sneeuw. Maar dat lukte dit jaar agendatechnisch niet. En op zaterdag verwacht ik toch meer drukte op de snelweg rond de grote steden. Dus laden we luid gapend en met de ogen nog half dicht de bagage in. En rijden in het aardedonker de stad uit. Tot aan Frankfurt gaat het van een leien dakje. Rond half negen zien we de vliegtuigen boven de luchthaven in file aankomen. Maar dan is het ook gedaan met ons geluk. Keer op keer worden we van de snelweg afgeleid wegens ernstige filevorming na een ongeluk. De langste rij auto’s veroorzaakt net geen twee uur extra reistijd! Maar de bergen roepen en we rijden door en door. Om half vier rijden we dan eindelijk het parkeerterrein van het hotel op. Er ligt nog meer dan voldoende sneeuw, al is de kwaliteit voor verbetering vatbaar. Na een warme omhelzing van de eigenaar en z’n vrouw halen we de koffers uit de auto. En kijk ik vanaf ons balkon naar het binnenhalen van de gondels. Ik adem diep in en uit. Een hele week om mijn hoofd leeg en mijn longen vol zuurstof te krijgen. Samen met Manlief en mijn mams. Wat een gelukzaligheid. Daar toasten we graag op.