Uithoudingsvermogen gezocht

4daagse

Nog een paar weken, dan start de 4daagse. Ons trainingsschema is nu echt serieus: het weekeinde bestaat uit minimaal één hele lange wandeling of twee stevige tochten van 30, 35 of 40 kilometer. Maar we klagen niet (lees: nauwelijks) (lees verder: eigenlijk alleen ik). Of we door het virus besmet zullen raken, betwijfel ik: naast de drukke werkweek blijft er momenteel weinig tijd over voor sociale contacten of huishoudelijke verplichtingen. Maar het is even niet anders. Vandaag vertrekken we om 7 uur voor een rondje rondom onze woonplaats. De temperatuur is goed en de sfeer gemoedelijk. Als ik wachtend bij een spoorwegovergang zwaai naar de machinist van een trein, zwaait hij vrolijk terug. En een stuk verder praten we even met twee andere vroege vogels die een Beagle van 9 maanden hebben. Als we bijna halverwege zijn, gaat Darwin ineens zitten. Het is wat warmer geworden en hij hijgt, maar hij is een paar kilometer eerder helemaal verzorgd. We onderzoeken zijn pootjes, maar kunnen niets vinden. Toch is de lol er ineens af bij hem. Om de zoveel tijd duikt hij de berm in en zoekt een schaduwplekje, waarbij hij ons nadrukkelijk aankijkt. We pauzeren vaker, langer. Maar we moeten naar huis. Willen naar huis. Als we eindelijk nog een kilometer of 6 te gaan hebben, herkent hij de buurt en zet hij een eindspurt in. Om een uur later in zijn mandje te af te remmen. Hij draait een rondje, slaakt een diepe zucht en doet z’n ogen dicht. Nogmaals onderzoeken we hem, maar gelukkig tevergeefs: niets te zien. ‘Ach’, zegt Manlief terwijl hij zijn spullen opbergt tot morgen. ‘Ik kan hem eigenlijk geen ongelijk geven. Ook ik zal blij zijn als het weekeinde er weer op zit!’ Nog even volhouden, dan een paar dagen doorbijten en hopelijk met een hele grote glimlach over de finish op 24 juli!

Advertenties

De beste vriendin van Ingrid

IMG_4614

Het is laat. Eigenlijk al bedtijd. Maar ik moest nog werken (heel leuk werken), en ook nog in het westen van het land. Bovendien ben ik met de trein en moet ik overstappen. Voor middernacht zal ik niet thuis zijn. Dus om mezelf voor mijn dapperheid te belonen, loop ik bij Starbucks naar binnen. Het is bijna sluitingstijd en er zijn nauwelijks meer mensen. De jongen achter de kassa is allang blij met de afleiding van mijn komst. ‘Wat mag het zijn?’, vraagt hij. Ik geef mijn bestelling door en reken af. ‘Fijne avond nog!’, zegt hij. Ik wens hem hetzelfde en bedenk ineens dat hij mijn naam niet heeft gevraagd. Vriendelijk attendeer ik hem erop, maar hij lacht. Er staat verder niemand meer te wachten, dus de kans op verwarring is klein. Dan oppert hij: ‘Ingrid?’ Ik grinnik. ‘Bijna goed! Mijn beste vriendin heet Ingrid.’ Hij lacht en gaat verder met zijn bezigheden. Dan roept het meisje dat achter de koffieautomaat staat: ‘Een tall caramel macchiato voor de beste vriendin van Ingrid!’ Je kunt zeggen wat je wilt van Starbucks. Maar humor hebben ze!

Berlijn, een belevenis! 

Weer thuis en wat een belevenis! Berlijn heeft ons in alle opzichten positief verrast. In de auto op de terugweg in een bijpassende file van wereldformaat volgen we mijn schoonmoeders’ voorbeeld: we stellen elkaar vragen zoals ‘Wat maakte het meeste indruk de afgelopen dagen?’ en ‘Wat viel bij nader inzien een beetje tegen?’ De meningen van Manlief en mij wijken hier en daar af van het gangbare. Maar bovenal is duidelijk: het was top! Twee opdringerige daklozen (die we desondanks toch wat hebben gegeven) naast talloze ‘gewoon’ vriendelijke mensen, een waanzinnig stadspark, cultuur naast alledaagsheid, geschiedenis naast wolkenkrabbers (twee), een commerciële wereldse keten naast ‘Mutter Hopper’ ten voeten uit. En overall en uberall gewoon een prachtige stad. Onze eigen woonplaats heeft meer verwijzing naar de wereldoorlogen. En zelfs over de Muur spreken ze met respect, waar je bitterheid zou vrezen en verwachten. Op zijn  vraag wat mij zeer zeker zal bijblijven, schatert Manlief het uit om mijn antwoord: ‘Toch wel die wederzijdse verbaasde blik die een struisvogel en ik in der Tiergarten uitwisselden bij het onverwachts ontwaren van elkaar! Berlijn is relaxt. We hebben genoten. En we komen er graag een keer (of meer) terug!

Berlijn

 

img_4394Even samen een paar dagen er tussenuit. Naar Berlijn, dat al langer op ons verlanglijstje staat. Vooraf weet ik niet goed wat te verwachten. Krijg reacties van ‘deprimerend, overal oorlogsherinneringen’ tot ‘echt iets voor jou, ga je geweldig vinden!’ Een stukje voor Berlijn rijden we een bordje voorbij: ‘Hier was vroeger de grens met Oost-Duitsland’. Een grauwe, militaire toren in vervallen staat ernaast. Als we Berlijn binnen rijden, valt vooral de bouw op. Overal opbrekingen, hijskranen, bouwvakkers, lawaai. Kilometer na kilometer. Berlijn timmert in elk geval letterlijk druk aan de weg. Ons hotel is zo gevonden en een vriendelijke jongen checkt mij in het Duits in, terwijl hij in vloeiend Engels een paar vragen van Manlief beantwoord. Even later gaan we op pad. We lopen van de Prenzlauerallee via Alexanderplatz en Unter der Linden door de Tiergarten naar Kurfurstendamm. Bijna 7 kilometer speelt het Klein Orkest door mijn hoofd. We maken grappige we-fie’s bij de Brandenburger Tor. Zien een stukje Muur bij Westin Grand Hotel met aan de achterkant een QR-code. En staan stil bij het holocaust monument, dat indrukwekkend mooi is uitgevoerd. Wat een indrukwekkend mooie stad. We genieten! En dit was pas snuffelen. Nog twee dagen te gaan en ik weet nu al dat ze om zullen vliegen.

Indiaantje

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Toen we onze Darwin gingen uitkiezen, hadden we keuze uit drie reutjes. De ene had een hele brede streep wit over z’n neus, de andere een wat dunnere lijn. Maar ons hondje had een soort veertje. ‘Net een indiaantje!’, zeiden we tegen elkaar. En dus werd hij Darwin. ‘Pas maar op,’ waarschuwde de fokster nog. ‘De tekening verandert nog gedurende z’n groei.’ En ze kreeg gelijk. Er is nu niets meer te zien van enig wit tussen z’n wenkbrauwen. Alleen als je heel goed kijkt (lees: de kans krijgt om z’n hoofd even tussen je handen te nemen) zie je nog een vage verkleuring van het bruin. De wat grotere witte plek in zijn nek is ook gekrompen tot een stuk of acht haartjes. Ach, hij is ons er niet minder lief om. Maar het schiet ineens weer door mijn hoofd als ik Darwin ophaal bij de dagopvang. Samen met hem komt er een nagenoeg identieke Beagle mee naar de ontvangstruimte. De verzorgster glimlacht: ‘Ze lijken écht veel op elkaar!’ Ik grinnik terug: ‘Blij dat jij ze uit elkaar kunt houden dan.’ Ze knikt. ‘Het scheelt enorm dat Darwin dat witte vlekje in z’n nek heeft. Dat is uniek. Daardoor weet je dat je de juiste hond tegenover je hebt.’ Gemaakt geschrokken kijk ik haar aan: ‘En ik heb al een paar keer op punt gestaan om daar de zwarte watervaste viltstift op te zetten. Gewoon, omdat het niets toevoegt, die paar witte haren!’ Ze hapt gelijk: ‘Als je het maar uit je hoofd laat! Hoe komen we er dan ooit achter of we de goede hond meegeven?’ Ik bedank haar voor het oppassen en loop lachend naar buiten. Darwin loopt onverstoorbaar mee naar de auto. Zoals hij is er maar één. Met of zonder veertje. En zolang hij ons maar uit elkaar weet te houden, is er niets aan de hand.