Wild life

Het vakantiehuisje is een heerlijkheid. Midden in het bos met de bewoonde wereld (lees: gemak, gebak en gezelligheid) op tien minuutjes rijden. Het heeft een hoek met aan twee kanten ramen en gemakkelijke fauteuils. Je hoeft je hoofd maar op te lichten van je boek en de natuur glimlacht je toe. Het huis ligt aan een doodlopende weg die eindigt in een fietspad, dus er is wel wat beweging. Maar het meeste komt van dieren. Roodborstjes, koolmezen, pimpelmeesjes, mussen en een opdringerige Vlaamse Gaai vliegen af en aan. Gisteren tijdens de wandeling zag ik een Meriansborstel: de knalgele rups van een mot. En we herkennen inmiddels zelfs ‘onze’ zwijnen: Mam met de drie biggetjes, Broer en Zus, en Bolle Gijs. Gisterenavond zag ik ineens iets zwarts voorbij schieten door het gras. Het ging te snel om te identificeren. Een boommarter, of een zwarte rat? Maar die komen hier niet voor. Een das dan, of een mol? Maar het formaat klopte niet bij mijn waarneming. We bleven alert, maar zagen niets meer in de vallende duisternis. Tot vanochtend bij het ontbijt: ‘Daar, daar is het weer!’ Manlief keek en schaterde het uit. ‘We dachten duidelijk te exotisch. Het was een poes!’ Tot zover onze kennis van de Veluwse dieren in het wild.