Charlotte

CharlotteAls ik onze voordeur open, kijk ik eerst even naar boven. Naar het hoekje van het raam vlak tegen het plafond. Daar zit ze. Ik noem haar Charlotte, naar E.B. White’s boek, in een halfslachtige poging om haar minder afschrikwekkend te maken. Zo af en toe jaagt ze me namelijk de stuipen op het lijf, juist omdat ze niet in haar hoekje zit. Dan heeft ze even een ommetje gemaakt blijkbaar, want een uur later zie ik haar dikke, vette lijf en kromme pootjes weer op de gebruikelijke plek. Ik houd eerbiedig afstand, respecteer haar comfortzone in de naïeve veronderstelling dat zij dan een wederzijds gedragspatroon hanteert. Tot afgelopen weekeinde. Want toen bleek ineens de lamp in het portiek stuk. Echt onherstelbaar kapot. Er moest dus een nieuwe worden gemonteerd. Behoedzaam plaats ik de trap, terwijl het benodigde gereedschap voor het grijpen ligt. Snelheid is geboden. Voorzichtig klim ik naar boven. We verliezen elkaar geen moment uit het oog. Uiterst vakkundig en rap schroef ik de oude lamp los en bevestig ik de nieuwe. Zodra alles weer naar behoren functioneert, daal ik terug af naar de veilige aarde. Nagekeken door honderden ogen. Ik meen zelfs even een pootje te zien zwaaien. Aarzelend wuif ik terug. Dikke spinnen moet je te vriend houden. Vanaf veilige afstand. Want je weet immers maar nooit.

Advertenties