Proefondervindelijk

Het is nog net iets te vroeg om hardop te juichen. Maar de vooruitzichten voor een nieuwe werkkring zijn gunstig voor Manlief. En het zou zomaar kunnen dat het woon-werk-verkeer fors naar beneden wordt bijgesteld. “Ik denk dat ik ga fietsen”, zegt hij zelfbewust. “Net als vroeger.” Ik schiet in de lach. “Vroeger?”, vraag ik. “Als toen je nog echt een heel stuk jonger was?” Hij knikt. Maar ik kijk bedenkelijk. “Met een elektrische fiets?”, opper ik. “Of een leuke scooter?” Hij schudt zijn hoofd. Kwestie van een servicebeurt voor zijn fiets en gaan. “Komende zondag wil ik het een keer uitproberen. Kijken hoe het gaat. Gezellig als je meerijdt …?” En ik zeg “ja” zonder verder na te denken. Maar als ik ’s ochtends naar buiten kijk, betrekt mijn gezicht. Het waait. Vast tegen! Op heen- en terugweg. En ze voorspellen regen. 100% trefzeker. Ik zucht. Maar ik ben geen watje. Dus zonder een (hoorbare) kik te geven, trek ik de deur achter me dicht en stap op mijn fiets. Ik krijg gelijk wat de wind betreft. En nét niet met de kans op regen. Inwendig foeterend en tierend rijd ik 15 kilometer heen en 15 kilometer terug naast een ontspannen ogende echtgenoot. Hij kijkt goedkeurend op zijn horloge: “Tweemaal een uur. En daar kan ik nog wel wat vanaf rijden als ik eenmaal aan de afstand gewend ben.” Ik knik. En ga voorzichtig op een zacht kussen zitten. Ben trots op hem en hoop dat ik vanaf hier zeer binnenkort goed nieuws kan vermelden. In de wetenschap dat mijn werkplek slechts tien minuten fietsen is. Zonder zadelpijn.