Dag 4: trots en ontroerd

IMG_4883

En weer gaat de wekker meedogenloos vroeg. Ik voel weerzin als ik mijn rugzak pak en mijn schoenen aantrek. Manlief heeft het nog moeilijker: het is nauwelijks mogelijk zijn voeten te belasten. We zetten door. In de ontbijtzaal groet inmiddels iedereen iedereen. En even later in de bus worden de pijntjes uitgewisseld en vergeleken, tot grote hilariteit. De buschauffeur heeft de bus versierd en neemt enigszins ontroerd afscheid: ‘Het was een eer om jullie te rijden!’ We schuiven door de start en beginnen de laatste tocht. Het is stevig en manlief loopt moeizaam. Ik leid hem zoveel mogelijk af: nu opgeven is geen optie meer. Dan krijg ik een sms van mijn collega’s: ‘Liggen jullie op schema?’ En hoor dat ze in het volgende dorp staan te wachten! De laatste kilometers vliegen onder mijn voeten door en even later heb ik de felbegeerde knuffels. Ze hebben zelfs een spandoek gemaakt! Als ik ook (eindelijk) de broer van mijn collega voorbij heb zien schieten, nemen we afscheid. Al lopend geniet ik na: wat een heerlijke verrassing. Maar er is meer. Want in Cuyk zie ik mijn tante staan met een prachtige zonnebloem. Een stukje verder filmt mijn oom onze aankomst. Weer worden we in de watjes gelegd tot we verder gaan. De laatste kilometers. ‘Mook?’, sms’t mijn vriendin vanaf De Wedren. ‘Dat was dag 2. Je hebt de verkeerde afslag genomen!’ Ik grijns, inmiddels gewend aan haar humor. We lopen en lopen. Op 7 km voor de finish geven Manlief en ik bijna gelijktijdig op. Gelukkig recht voor de deur van een aardige mevrouw. We krijgen een stoel en wat water. En rust. Om die laatste kilometers hand in hand en met soms tranen in de ogen af te leggen. Wat een feest! We halen ons kruisje en zoeken wankelend onze weg naar het station en hotel: twee uur wachten op de pendelbus is teveel gevraagd. In de intercity zitten we naast een echtpaar uit Alkmaar dat gekomen is om aan te moedigen. ‘En daar moet u niet te licht over denken, hoor. Dat valt nog niet mee!’ We beamen grif. Op station Arnhem vinden we een taxi die ons snel naar het hotel brengt. ‘Au’, zeg ik ongewild hardop als ik me even later moeizaam in bad laat zakken. ‘Herkenbaar’, zegt Manlief vanuit de kamer. ‘Nee’, antwoord ik met letterlijk een zucht van verlichting. ‘Het water is gewoon te heet!’