Voedselbank

Vandaag ben ik bij de Voedselbank. Op uitnodiging. Omdat mensen die bijna niets meer hebben juist een ander willen helpen. Omdat ze mens zijn, een mens met pech. Omdat ze ook structuur willen, en als dat niet via het werkritme van een baan kan, dan graag met een goed gevoel. Omdat je goed doet. Ik zie er wel een beetje tegenop. Want hoe ga je om met armoede, angst, woede? Ik meld me eerder dan gevraagd. Er staat al een rij te wachten, terwijl ze pas over een uur naar binnen mogen. Ik tref de collega’s en we verdelen de rollen. Zij gaan de rij langs, ik blijf binnen voor verstrekking van meer inhoudelijke informatie. Dan gaat de deur open. Een geoliede machine ontvouwt zich voor onze ogen. Kaart laten zien, winkelwagentje pakken, tassen erin en de kratten met drank en voedsel langs. Geen ruimte voor kieskeurigheid, alles is welkom. Aan het eind is een balie met broodjes, koffie en een praatje. Met elkaar of met mij. En het is druk. Er is veel interesse in onze beweging. Maar ook argwaan: ‘Het kost dus niks? Als in niks?’ Ze zijn direct. Niet onaardig, maar rauw tot op het bot. Gelijk de kern rakend. Ik zie vermoeidheid over de vele regels, frustratie over de uitzichtloosheid. Maar ook veerkracht en vrolijkheid. Omdat ik midden tussen hen in zit, worden er voortdurend kinderen om me heen gestald: ‘En doen wat die mevrouw zegt!’ Kennelijk straal ik vertrouwen uit. Ik deel WeHelpen-kaarten en pennen uit: voor oma, voor tante Marlies, voor Annemarie. ‘Maar die hoeft geen postzegel want die staat daar in de rij.’ Een mevrouw barst in tranen uit, wanhopig. Een ander komt terug: ‘Mijn vriendin heeft wel een computer, dus ik doe toch mee!’ Ik heb niet geluncht, maar durf geen broodje te pakken. Hetzelfde geldt voor mijn collega’s: ons wacht een warm huis, een avondmaaltijd. Elke dag. Vandaag maakt ons nederig, en dankbaar. Deze mensen hebben pech. Niets meer dan dat. Ze willen wel. Maar er is geen oplossing voor hen. Het is te gemakkelijk om De Overheid de schuld te geven. Toch kan het ook jou of mij gebeuren. Zomaar. En dat in Nederland. Als iedereen vertrokken is, breken we op. Rustig. We wensen elkaar een fijn weekeinde. Toch een beetje stilletjes. Er is nog veel te doen voor de wereld zichtbaar een beetje mooier is.