Werkrelatie

Als ik de carpoolplek op rijd, tref ik mijn leidinggevende op een merkwaardige plek aan. Op de passagiersplaats van zijn eigen auto. ‘Wil jij rijden? Dan kan ik nog wat werken.’ De relatie tussen mij en zijn auto is sinds ons laatste gesprek een stuk verbeterd, dus ik knik instemmend. De radio staat aan, net als de stoelverwarming. Het is druk op de weg, maar de auto gedraagt zich keurig. Alleen duurt het even voor hij zijn middenconsole voor me opent, maar ik ga er vanuit dat dit een grapje was. Als we bijna op locatie zijn, vraagt mijn leidinggevende om hem er vast uit te laten. Hij heeft voor onze bijeenkomst nog een andere afspraak in de nabije omgeving. ‘Redden jullie het samen verder?’, vraagt hij met een knipoog. ‘Tot straks dan.’ Een beetje argwanend rijd ik de parkeergarage in van het gebouw waar het volgend overleg plaats zal vinden. ‘Geen flauwekul’, zeg ik waarschuwend als er allerlei paniekerige piepjes klinken bij het achteruit inparkeren op een smalle parkeerplek. ‘Je hebt meer dan genoeg ruimte.’ Als ik ben uitgestapt, vouwt hij gehoorzaam zijn spiegels in en sluit de portieren. Ik klop even vriendelijk op z’n motorkap. ‘Goed gedaan, ik ben trots op je.’ Hij knippert nog even met z’n lichten en doet er het zwijgen toe. ‘Elke relatie heeft af en toe een leuke verrassing nodig’, zei mijn oma. Ik wist alleen niet dat ze daarmee ook auto’s bedoelde.