Ouderdom

Met mijn ogen nog half dicht sta ik naast een boom te wachten totdat Darwin zijn behoefte heeft gedaan. Ik zie een beweging bij de supermarkt aan de overkant: een oudere mevrouw van een stukje verderop in de straat. Ze staat aarzelend voor de rolluiken van de winkel. Nu ben ik wel wakker. Het is kwart voor zeven! Ik heb bij haar dochter op de lagere school gezeten en maak af en toe een praatje met haar. De laatste paar keer was ze wat verward, maar goed, ze is ook al wat ouder. Ik steek over en spreek haar aan. Ze valt over woorden heen: een verhaal over twee kleine kindjes die ze van straat heeft gehaald en nu heeft ze rietjes nodig om hen te drinken te geven. Ik praat met haar mee, maar zeg dat het nog te vroeg is. Ze zijn nog niet open. En of het dan wellicht handiger is om thuis eerst nog een kopje koffie te gaan drinken? Ze loopt opgewekt kletsend over niets bijzonders met me mee terug naar haar huis. Ik wacht tot de deur weer dicht is. En aarzel dan: moet ik dit tegen iemand vertellen? Of hopen dat het eenmalig was? Ik kom er niet gelijk uit. Wil niet bemoeizuchtig overkomen, maar aan de andere kant: dit is echt niet goed. Halverwege de ochtend zet ik mijn twijfels opzij en bel het nummer van de winkel onder haar woonhuis. Haar zoon neemt gelukkig zelf op. Ik vertel wat er gebeurd is en hoor het al aan zijn stem. Het lijkt inderdaad goed mis en de dokter is gewaarschuwd. Hij is erg blij dat ik een oogje op zijn moeder heb gehouden. Bedrukt leg ik de telefoon weer neer. Je wenst het je ergste vijand niet toe. Maar ouderdom komt met gebreken. Ook als niemand daarop zit te wachten.