Rare jongens, die Oostenrijkers

We hebben een paar heerlijke dagen achter de rug. Tussen 25 en 30 graden met een strakblauwe lucht. Geen straf om dan buiten naast een zwemvijver te zitten met uitzicht op de bergen. Maar onze vakantie is kort en dus houden we het weerbericht strak in de gaten. ‘Maandag de hele dag regen’ staat er onverbiddelijk achter de plaatsnaam van ons dorp. ‘Nee hoor’, zegt de hoteleigenaar. ‘De boeren hebben het gemaaide gras nog niet opgeruimd. Dus morgen is het ook droog.’ Hij lijkt op zijn moeder. Die zei ook altijd dat de sneeuwcondities perfect waren als we haar opbelden voor de wintersport. Om dan bij aankomst te constateren dat de situatie ter plaatse in een paar dagen tijd ‘ineens aanzienlijk verslechterd’ bleek. Dus ik ben geneigd om de officiĆ«le meteoroloog eerder te geloven. Als we wakker worden, is het bewolkt. Maar droog. Zelfs warm. En dat blijft het ook tijdens het ontbijt. Als we halverwege de ochtend buiten aan de koffie zitten, komt de eigenaar langs. Hij kijkt veelbetekenend naar boven. En grijnst vervolgens naar mij. Eigenlijk is er nauwelijks verschil tussen Oostenrijkers en Nederlanders: ze willen gewoon gelijk hebben.