Weer thuis

‘Best confronterend toch, he’, zegt de mevrouw van het dierencrematorium. Ik kijk naar de koker van bamboe met de as van Floppy erin. En schud mijn hoofd. Dat is niet Floppy. Dat is van Floppy. En het gaat mee terug naar huis, het hoort bij ons. Mijn moeder slaat even haar arm om me heen. In de auto kijk ik nog eens. ’t Is best mooi gemaakt. Maar het is zeker weten niet Floppy. Thuis begin ik met wat van zijn spulletjes op te ruimen. Ik kan nog niet alles weggooien, te emotioneel beladen. In elke kamer vind ik pijn en gemis. Manlief mailt dat hij ‘pas’ vier keer is volgeschoten. Hij is toch naar kantoor gegaan, daar liggen minder herinneringen op de loer. Ik kan het nog niet, wil mijn collega’s ook niet van streek maken. Morgen misschien. We hebben er vrede mee dat hij moest gaan. Hij was zo oud en zo moe. Volgens de dierenarts had het nog hooguit een dag of tien geduurd. Maar het waren voor Floppy extreem zware dagen geworden. Er zat vocht rond zijn longen en zijn nieren, toch al een zwakke plek, werkten niet goed meer. Dan vergiftig je jezelf langzaam. Maar het was een bijzonder hondje. Een persoonlijkheid. Als ik de stukjes van dit log uit 2004 teruglees, schiet ik regelmatig in de lach. Hij jatte een tennisbal toen we bij mijn broer de planten water gaven tijdens diens vakantie. Hij was bang van onweer en wilde dan perse tussen ons in slapen. Hij was gek op mandarijntjes. Hij zat achter onze dwergpapegaai Bertje aan. Zoveel verhalen, zoveel herinneringen. En zo’n hond mis je dus enorm als hij er niet meer is. Hij zit in ons hart. Maar dat is afgelopen maandag gebroken.