Ondraaglijk

Met alle kracht die ik in me heb, probeer ik de wijzers van de klok tegen te houden. Het moment dat op een paar weken na achttien jaar lang mijn meest voorkomende en gevreesde nachtmerrie was, staat voor de deur. We moeten afscheid nemen van Floppy. De laatste weken is het redelijk snel bergafwaarts gegaan. Dat hij steeds meer moeite had met zijn zindelijkheid, is niet eens het grootste probleem. Dat manlief daardoor niet meer ongestoord naar een aflevering van Pauw & Witteman kon kijken, omdat hij elk kwartier naar buiten moest, is overkomelijk. Maar we lazen het in zijn ogen. Het hoeft niet meer zo nodig. Het was mooi. En duurde lang. En het is genoeg geweest. Hij kan niet meer zitten. Ligt niet meer lekker. En wordt zo moe van het staan en het almaar lopen. Het is goed zo. Na weer een slapeloze nacht waarin we voortdurend in de weer zijn om het hem zo gemakkelijk mogelijk te maken, valt het besluit. Ik breng de ochtend door met bellen naar de dierenarts, naar de dierenbegraafplaats/-crematorium en het inlichten van familie, vrienden en collega’s. Iedereen kent Floppy. Ik wist niet dat ik zoveel tranen had, maar ze blijven stromen. Ons huis is gelukkig groot genoeg dat ik wel een plekje vind waar Floppy het niet ‘merkt’. ’s Avonds zitten we op het dakterras. En kijken naar hem. Hij ligt hijgend op een deken naast ons en kijkt terug. Hij heeft nog een troef achter de poot. Hij klappert met zijn tanden en laat dan een knetterende scheet. Vervolgens kijkt hij ons aan: ‘Kunnen jullie dat ook?’ We schieten ondanks alles in de lach. Dit hondje blijft je verbazen. De wijzers van de klok rukken aan mijn handen. De tijd wil maar niet stil staan. Maandag half 2 komt elke seconde een stap dichterbij. Het doet zo’n pijn.