Mijn wijk

De deurbel gaat. Een man met een collectebus vraagt of ik een bijdrage heb voor de Hartstichting. Ik weet uit ervaring dat het leven van een collectant niet altijd over rozen gaat. Ik geef hem wat geld en sluit de deur. Als ik even later snel een boodschap doe, tref ik de onderbuurman. ‘Weet je dat ze in je wijk zitten?! Er was een collectant in de winkel, maar ik geef altijd aan jou!’ Ik lach en leg uit dat het dit keer niet om de Kankerbestrijding ging. Hij kijkt beteuterd. Er stonden klanten aan de kassa en hij had maar half gekeken op de collectebus. Op de hoek zie ik de collectant lopen. ‘Geef het maar gauw, dan hol ik er wel achteraan!’ De meneer is oprecht blij als ik het misverstand uitleg. En hij is nog verheugder met de gift. Een uur later. Weer gaat de deurbel. Ditmaal is het de vriendin van mijn moeder met een collectebus. Voor de Hartstichting! Ze reageert verbaasd als ik haar vertel dat er al iemand is geweest. Juist op dat moment loopt dezelfde meneer aan de overkant van de straat voorbij. Het blijkt een misverstand. We wonen aan een lange winkelstraat die in twee delen is opgesplitst. Hij collecteert voor het eerst en is per ongeluk aan de verkeerde kant gestart. Gelukkig kunnen ze er allebei om lachen. En besluiten om dan maar te wisselen van wijk. Als de man zijn route vervolgt, zucht de vriendin van mijn moeder. Zijn wijk is veel groter en ze heeft er nog een op haar kaart staan. Ik sla even een arm om haar schouder: ‘Als jij nou zorgt dat ik een licentie krijg, loop ik die route wel. Het is mede aan jullie te danken dat manlief nog fit en vrolijk rondloopt’. Met een glimlach sluit ik de deur weer. Hij blij, zij blij, wij blij. In mijn eigen wijk.