Geintje

Mijn collega en ik waren bijzonder benieuwd of ons team eigenlijk het verschil wel proefde tussen industrieel gebak en huisvlijt. En dus bedachten we een list. Vanochtend kwam ik op kantoor met de inmiddels overbekende taartdoos. Toen mijn collega’s nieuws-gierig vroegen wie er jarig was, antwoordde ik dat het een probeerseltje was. We waren met een klein groepje, de rest had opleiding. Het zou daardoor wat drukker zijn en dus reden voor iets lekkers bij de koffie. Om half 11 dromden ze om me heen: chocoladevlaai met vlokken. Het zag er prima uit. De reacties waren redelijk: ‘Smaakt niet verkeerd’ en ‘Hoe heb je die bodem zo gekregen?’ Uiteindelijk hielden we het niet meer vol en vertelden we de waarheid. Ze moesten lachen. Maar een half uurtje later klaagde er eentje over maagkrampen. En nog wat later was een ander ‘toch wel wat licht in het hoofd!’ Het restant van de taart bleef onaangeroerd op tafel staan, een ongekend fenomeen. Een groter compliment heb ik nog niet eerder gekregen!

Advertenties

Cijfertjes

Ik heb hem nog net niet gesmeekt. Mijn wiskundeleraar gaf een negatief advies voor mijn eindexamenvakkenpakket. En ik vond het zo leuk. Maar ik miste nadrukkelijk de knobbel. Hij wist het. En ik wist het eigenlijk ook. Bovendien mocht ik hem erg graag. Ik ging dus maar voor talen. En studeerde met mooie cijfers af. Toch denk ik er nog regelmatig aan. Als ik hem zie bij de supermarkt. Of als pijnlijk duidelijk wordt dat ik een getal weer eens verkeerd heb geinterpreteerd. Wat had hij het goed ingeschat indertijd. Afgelopen week moest ik een analyse schrijven voor onze klanten naar aanleiding van een reeks cijfers. Maar hoe ik het ook bekeek, een uitslag kon ik niet plaatsen! Toen ik uiteindelijk degene die de lijst had aangeleverd om raad vroeg, kreeg hij een kleur. Hij had een foutje gemaakt. Ik had helemaal gelijk! Het schrijven ging ineens een stuk gemakkelijker! Zo zie je maar. Iedereen kan een foutje maken. Ook een wiskundeleraar.

Ezel

Ons huisje staat aan de rand van een dorpje in de Ardennen. Om ons heen weilanden met koeien, paarden en een ezel. Ik wijs ernaar als mijn nichtje van twee-en-een-half en ik samen bij de schommel staan. ‘Paard’, zegt ze. ‘Nee, hoor’, antwoord ik: ‘Ezel! Want een paard heeft kleine oren. En een ezel heeft grote oren. Kijk maar goed.’ Ze kijkt goed. En richt vervolgens haar ogen vragend op mij. ‘Soote oren? Ezel!’ Triomfantelijk holt ze naar oma om het te vertellen. Meisjes van twee-en-een-half hoef je zoiets maar een keer te vertellen en ze onthouden het. Dus het hele weekeinde horen we: ‘Soote oren: ezel. Kleine oren: paard!’ Als we afscheid nemen, zwaait ze nog een keer. ‘Dag tante Jine.’ Om er gelijk achteraan te schateren: ‘Soote oren!’ Wie is hier nou de ezel?

9/11

We kijken naar een film over 11 september 2001 met Nicolas Cage. Je weet dat het gedramatiseerd is. En dat Nicolas op dit moment ergens op de wereld waarschijnlijk aan een kop Starbucks met een donut zit. Levend en wel. Maar de film maakt toch een enorme indruk. Want de beelden even later tijdens het journaal zijn echt. Levensecht. Een herdenkingsbijeenkomst op de plaats waar het allemaal gebeurde. Een minuut stilte. De klank van de bel. Mensen die hun emoties nauwelijks kunnen bedwingen bij het afroepen van de namen van de doden. Vijf jaar geleden stonden we zelf bij Ground Zero. De stilte was nog steeds oorverdovend. De beelden op je netvlies gebrand. Net als in 2001 scheen de zon aan een strakblauwe hemel. En leek alles goed. Maar even later stond voor hen de tijd stil. Voor altijd. Een paar jaar later stonden wij stil, respectvol en in gedachten. En ook vanavond denken we aan degenen die omkwamen bij die verschrikkelijke gebeurtenis. Om nooit meer te vergeten.

Onbetaalbaar

‘Weet je, ik ben blij dat ik nog een paar jaar heb vóór het zover is!’ Ze zegt het met afschuw in haar stem en ook haar gezicht spreekt boekdelen. ‘Het lijkt me verschrikkelijk om 40 te worden.’ Haar gesprekspartner is het roerend met haar eens. ‘Hou op, schei uit’, verzucht deze. ‘Ik heb de hele dag in bed gelegen. Voelde me zó oud!’ Ik ben in de buurt bezig met het opruimen van het zoveelste gebak-moment en schiet in de lach. ‘Stelletje watjes!’, betitel ik hen weinig flatterend. ‘Je bent net zo oud als je je voelt. Daar heeft je geboortejaar niets mee te maken.’ Ogenblikkelijk heb ik twee vrouwelijke collega’s zwaar in de verdediging tegenover me. ‘Wacht maar af’, briest de oudste, ‘jij piept nog wel anders als het zover is!’ Nu schater ik het uit. ‘Hoe oud denk je dat ik ben? Ik ben al 44 jaar! En ik heb mijn 40ste verjaardag groots en met heel veel plezier gevierd! Dus!!’ En met mijn neus in de lucht loop ik terug naar mijn werkplek. Ik voel me de grote winnaar. Want ik heb gelijk. En dit compliment is onbetaalbaar.

Heeft u een bijdrage?

De hond die met een knipoog aangeeft dat hij me heus wel herkent. Maar nu eenmaal z’n werk als waakhond moet doen. De race tussen manlief en mij om het huis met het groene marsmannetje waar altijd gul wordt gegeven. De meneer die altijd vraagt of ik kan wisselen. Dat hele grote gezin in dat hele kleine huisje. De mevrouw die het elk jaar opnieuw presteert om ‘net uit bad te komen’. De oudere dame die op een bovenwoning woont maar speciaal voor mij nog een keer naar naar boven en beneden loopt om haar bijdrage te pakken. Het grote huis met de cabrio voor de deur die ‘toevallig’ nooit thuis zijn. Die leuke jongen in dat hoekhuis. Ik hoop altijd dat hij het envelopje niet bij de deur heeft liggen maar zich even moet omdraaien om het te pakken (hij heeft echt een leuk achterwerk!). Dat studentenhuis waar het altijd naar appeltaart ruikt. ’t Worden er steeds meer. Oude bekenden in mijn jaarlijkse collectewijk voor Kankerbestrijding.

Nichtjes

Afgelopen weekeinde zaten we in de Ardennen. Schoonmama werd 70 en vierde dat met haar drie zoons en hun gezinnen. Dus kon ik een paar dagen genieten van mijn andere nichtjes, variërend in leeftijd van een half jaar tot 19 lentes. Vooral die van twee-en-een-half is dol op tante ‘Jine’. Zaterdag-ochtend. We gaan samen naar de bakker voor verse broodjes. Onderweg wijs ik haar van alles aan: een kerk, een hertje, een ‘losse’ koe die een gat in de heg om de wei heeft gevonden. Als we over een onregelmatigheid in de weg rijden, zeg ik ‘net een trein’. Ze kijkt me niet begrijpend aan, dus ik doe het voor: ‘Tsjoeketsjoeketsjoeke whoewhoe!’ Hierbij volledig voorbijgaand aan het feit dat een beetje HSL een heel ander geluid maakt. Ze giert het uit van de pret als ik de actie op de terugweg herhaal. De volgende dag wil ze weer mee, waarschijnlijk omdat het eclairtje (puddingbroodje) ook in goede aarde viel. Ineens hoor ik achter me ‘Trein!’ We zijn ongemerkt over dezelfde wegbeschadigingen gereden. En ik moet en zal natuurlijk omdraaien om nog een keer over de ‘trein’ te rijden. Als we aan het eind van het weekeinde afscheid nemen van elkaar, waarschuw ik de ouders: ‘Pas op voor de trein!’ En nu maar hopen dat ik mijn logeerrecht niet heb verspeeld wegens een te fantasievolle vertaling van de werkelijkheid in de nabijheid van blanco kinderzieltjes!