Ezel

Ons huisje staat aan de rand van een dorpje in de Ardennen. Om ons heen weilanden met koeien, paarden en een ezel. Ik wijs ernaar als mijn nichtje van twee-en-een-half en ik samen bij de schommel staan. ‘Paard’, zegt ze. ‘Nee, hoor’, antwoord ik: ‘Ezel! Want een paard heeft kleine oren. En een ezel heeft grote oren. Kijk maar goed.’ Ze kijkt goed. En richt vervolgens haar ogen vragend op mij. ‘Soote oren? Ezel!’ Triomfantelijk holt ze naar oma om het te vertellen. Meisjes van twee-en-een-half hoef je zoiets maar een keer te vertellen en ze onthouden het. Dus het hele weekeinde horen we: ‘Soote oren: ezel. Kleine oren: paard!’ Als we afscheid nemen, zwaait ze nog een keer. ‘Dag tante Jine.’ Om er gelijk achteraan te schateren: ‘Soote oren!’ Wie is hier nou de ezel?

Advertenties