Zucht

’t Is duidelijk niet mijn dag vandaag. Ik word te laat wakker en loop gelijk al achter de feiten aan. De tandenborstel staat naast de lader en geeft geen teken van leven meer. Beide heren zijn in diepe rust, maar net als ik de deur achter me dicht wil trekken staat Floppy op. En als hij opstaat, moet hij plassen. En als hij heeft geplast, wil hij eten. Ik regel wat er te regelen valt en vertrek naar het station. Als ik op het perron aankom, begint de trein te rijden. Ik zucht: de volgende gaat over een kwartier. Eindelijk komt het kantoor-gebouw in zicht. Ik reik naar mijn toegangspas en grijp in het niets. Die zit dus nog in mijn andere jas, thuis aan de kapstok. Verdorie! Ik meld me bij de bewaking voor een dagpas. De man zucht, ik ben de zoveelste vanochtend. Twee personen met mijn achternaam verschijnen op zijn scherm. ‘Wat is je voornaam?’ Ik moet stiekem lachen: de keuze tussen John en Dorine is blijkbaar lastig. Met een kop koffie zak ik op mijn stoel en bel de helpdesk. Onze toegangspas vormt namelijk tevens de beveiliging voor het netwerk. ‘Dan moet ik je wel drie door jouzelf opgestelde vragen stellen, zodat ik zeker weet dat jij het bent’. Ik zucht niet langer, maar kreun. Ik heb deze collega bijna dagelijks aan de lijn. En heb die vragen zes jaar geleden geformuleerd! Had ik toen echt een favoriet knuffelbeest? De naam van mijn schoonmoeder lukt nog net, al ben ik in het gewaardeerde bezit van twee prachtexemplaren. Maar waar was ik in vredesnaam in 1992 op vakantie? Collega juicht: ‘Gefeliciteerd. Je hebt de wasmachine! En toegang tot het netwerk!’ Ik slaak een heel diepe zucht. Maar dit keer wel met een glimlach.