Koud, kouder, koudst

Het autoportier wil eerst niet open. En vervolgens niet meer dicht. In de trein wordt steen en been geklaagd: het is een heel stuk drukker en kouder. Ik heb mijn snowboots aan en mijn schoenen in een tasje: ’t is een tien minuutjes lopen van station naar kantoor en ondanks het strooien behoorlijk glad. Als ik naar mijn leidinggevende zwaai, herkent ze me nauwelijks: lange winterjas, dikke sjaal, handschoenen en een stevige muts over mijn hoofd. De warme chocomelk en erwtensoep is niet aan te slepen. De kachel staat dag en nacht op hoog. ’s Avonds kruip ik onder drie dekens met twee warmwaterkruiken dicht tegen manlief aan. Zelfs Floppy heeft een dekentje over zijn mand en zucht hoorbaar: lekker warm! Met een glimlach val ik in slaap. Ik kan er niets aan doen: ik geniet met volle teugen van dit weer. Eindelijk weer eens echt winter in Nederland. En als jij er helemaal genoeg van hebt: troost je, het wordt vanzelf weer lente!