Goede daad

Een beetje weemoedig tuig ik de kerstbomen af. Het zit er weer op. Als alle versiering in de berging staat, sjouw ik de bomen naar beneden. Op straat loopt een vader met drie kleintjes voorbij. Een kind blijft gelijk staan. Wat of ik met die bomen ga doen? Ik antwoord dat ik ze naar de verzamelplaats voor de verbranding ga brengen. Hij kijkt even bedenkelijk en besluit dan dat het zonde is van zulke mooie bomen. Of hij en z’n zusje ze mogen hebben om te bewaren. Hoofd-schuddend trekt zijn vader hem mee. Ik ga nog nalachend op weg. Normaal is het tien minuutjes lopen. Nu kost het me meer tijd. ’t Is best een gesjouw met twee bomen van drie meter! Halverwege aarzel ik even: op een kruising liggen een aantal bomen. ’t Scheelt een eind slepen. Maar de verleiding om me straks te warmen aan onder andere onze bomen is groter. Als ik de eindbestemming nader, zie ik weer een paar kinderen. Een meisje van een jaar of vijf attendeert haar broertje op mij. Die recht gelijk zijn schouders en loopt met een overredende blik op me af: ‘Zal ik ze van u overnemen, mevrouw?’ ‘Om te bewaren?’, informeer ik. ‘Oh, nee hoor, voor de verloting bij de kerstboomverbranding. Je krijgt een lootje voor elke boom. Mijn zusje en ik hebben er al acht!’ Ik leg ze op de aangewezen plaats en draai me om. Mijn eerste goede daad voor het nieuwe jaar zit erop.