Un bietje dof

‘Issie un bietje dof ofzo?’ De bestuurder van het bestelbusje kijkt me verwachtingsvol aan, wijzend op Floppy. We zijn samen even naar de apotheek gelopen. Floppy heeft buiten op me gewacht, terwijl ik binnen medicijnen haalde. ‘Ik denk, ik seg wa aordigs tegenum’, vervolgt de man in onvervalst dialect. ‘Maor hij reageert helemaol nie. Dus ik dag bij mien eigu, die is vast dof!’ Ik verzeker de man dat het niet aan hem ligt. Dat Floppy hartstikke doof is. En bedank hem voor zijn attente houding. Hij tikt tegen zijn pet en glimlacht breed: ‘As ge aordig doet tegen un ander, doen die ok aordig trug! Fijne dag, meissie!’ Als we teruglopen, kijken Floppy en ik elkaar aan. Hij hoort inderdaad niet zo heel goed meer. Maar zelfs als hij ‘diep in slaap in de andere kamer ligt’, merkt hij precies wanneer het kastje met de kluifjes open gaat. Dus helemaal doof, nee, dat kan er bij ons niet in. Floppy is een beetje een snob. Hij weet precies wie hij wel en wie hij niet zo aardig vindt. En dat laat hij merken door de persoon in kwestie te begroeten. Of te negeren. Ik berisp hem en wijs op de waarheid in die laatste zin: als je aardig doet tegen iemand anders, is hij of zij ook aardig tegen jou! Floppy haalt z’n schouders op en plast tegen een boom. Je hoort hem denken: ‘Gezeik!’ Maar ik kijk ‘m nog een keer nadrukkelijk aan. Een oude hond kun je geen kunstjes meer leren. Maar wel manieren. Zo heb ik het laatste woord! En trekt Floppy zich ook daar gewoon niets van aan.