Parkeerplaats

De auto ligt stampensvol en natuurlijk weer geen parkeerplaats voor de deur te bekennen. Ik zet de auto met alarmlichten aan dubbel neer en leg gauw alles in de gang. Als ik het portier sluit, zie ik dat er een plekje een paar auto’s verder vrijkomt. Ik stap in, start, geef gas …. en zie een knaloranje autootje voor mijn wielen de vrijgekomen plaats induiken. Mijn schoonzusje, want zij is het, zwaait vrolijk naar mijn verbrouwereerde gezicht. Om halverwege de zwaai haar hand voor haar mond te slaan: ‘Wilde jij hier gaan staan!?!’ Ik wuif dat het niet uitmaakt en rijd de wijk in. Een heel eind verderop kan ik de auto kwijt; nadeeltje van een huis in het centrum. Mijn schoonzusje staat nog steeds op me te wachten als ik onze straat inloop. Even later lachen we er samen om. Een hartelijke knuffel en we verdwijnen ieder door onze eigen voordeur (voor de oplettende lezer: we zijn ook buurvrouwen). Maar even schiet het door mijn hoofd: ik had vast heel anders gereageerd naar iemand die ik niet zo aardig vind als haar!