Dag

Het is doodstil op straat. Je hoort werkelijk helemaal niets. Ik loop met een slaperige Floppy achter me aan langs bomen en struiken. Hij snapt er niets van; het is nog veel te vroeg. Of eigenlijk weet hij het wel: ze gaan weer weg. Ze laten hem weer helemaal alleen achter (noot van de redactie: bij vrienden met een park van een tuin waar hij de hele dag mee mag helpen aanrommelen). Maar nu is het nog stil. De koffers worden in de auto geladen. De broodjes voorin, zodat we er gemakkelijk bij kunnen. Een dekentje en een gemakkelijk kussen voor in de rug. Een paar cd’s met lekkere muziek. Dan nog een laatste knuffel, met zoals altijd een stevige brok in de keel. Dag ventje! De baas komt jou zo ophalen, hoor! Wat zul je een plezier hebben! Wat zullen wij een plezier hebben!! We zijn zo terug. Dag Floppy. Dag huis. Dag straat. Dag woonplaats. Dag Nederland. Dag!

Paarden en zo

Het valt me soms ineens op. Iedereen moppert zo. Op het weer en op de baas. Op het feit dat je iets wel hebt, maar niet wilt. Of iets niet hebt en wel wilt. Op iets dat een ander heeft, maar waar jij recht op denkt te hebben. Op de tijd die te langzaam of te snel gaat. Het lijkt wel of we maar moeilijk kunnen wennen aan het feit dat we even een klein stapje terug moeten doen. Dat lekker nog steeds maar een vinger lang is. Dat er geen meevallers bestaan zonder tegenslag. Een paard kan zijn of haar lippen op elkaar houden zonder dat iemand meteen de inhoud van de ‘bek’ luidkeels van commentaar voorziet. Begrijp me niet verkeerd. Ik ben niet heilig. Ik klaag ook. De ene keer terloops, de andere keer hardgrondig. Maar soms valt het me ineens op dat we het zo slecht niet hebben. Dat het leven echt mooi kan zijn. Op een voorwaarde: je moet het gewoon willen zien.