Parkeren

Het regende hard toen ik een vrij plekje zag om te parkeren. Ik reed zachtjes achteruit, totdat ik goed stond. Terwijl ik mijn spullen pakte, stond er ineens een auto naast me: mijn broer. Hij keek heel boos. Nu is dat een broer-zus-geintje van ons, dus ik zwaaide vrolijk terug. Hij gebaarde woest, dat ik op zijn plek stond. Ook dat is niets nieuws als je tevens buren bent, dus ik maakte een sliep-uit-gebaar, nog steeds lachend. Hij ontplofte bijna, dat zag ik door de beregende ruit. Een beetje overdreven eigenlijk. En toen zag ik ineens dat het mijn broer helemaal niet was! Deze automobilist had waarschijnlijk ook de vrije plek gezien, maar was een blokje omgereden om beter te kunnen insteken. In de tussentijd had ik mijn auto nietsvermoedend op die plaats geparkeerd. En juist op dat moment gaf hij gas, terwijl hij zijn middelvinger naar me opstak. Hij zal wel gedacht hebben: “Wat een malloot!” Maar eerlijk gezegd dacht ik hetzelfde.