Snap jij het?

De kranten schrijven er de laatste tijd regelmatig over: het ziekteverzuim is drastisch gedaald sinds de economie is verslechterd. Mensen zijn zuinig op hun baan en nemen minder risico’s. Beter grieperig doorlopen dan je baan op het spel zetten. Het werkeloosheidscijfers is al zo schrijnend. En toch. In mijn directe omgeving is een aantal vrienden gedwongen op zoek naar een andere baan, omdat hun werkplek is opgeheven. Of ziet het gewoon niet meer zitten in de huidige functie om andere redenen, zoals te hoge werkdruk of een leidinggevende waarmee niet te werken valt. De onzekerheid over de toekomst is slopend. De een na de ander verzucht dat ze echt niet meer kunnen en in bed kruipen: verkouden, oververmoeid, vage pijn, lusteloos. Hoe kan het dan, dat het ziekteverzuim daalt, terwijl de zekerheid van een vaste baan steeds fragieler wordt? Het steeds meer mensen overkomt. Ik begrijp het niet zo goed.

Advertenties

Sollicitant

Ooit had ik een fout vriendje. Ach, ik was jong en stapelverliefd en zag het allemaal niet zo zwaar. Ik zou ‘m wel veranderen, dacht ik in al mijn naieve onschuld. Maar het leven is geen sprookje; natuurlijk gebeurde dit niet. En toen ik er achter kwam dat hij me inderdaad bedroog, heb ik hete tranen van verdriet en spijt gehuild. Het litteken was lange tijd nadrukkelijk voelbaar, maar tijd heelt alle wonden. Het is alweer zolang geleden, ik denk er nauwelijks meer aan. Tot vandaag. Een sollicitant meldde zich voor een van de functies. Zij!!! Degene met wie hij me bedrogen heeft! Ook zij heeft inmiddels al een aantal nieuwe relaties achter de rug. Het vriendje van toen is niet eens meer in beeld. Maar ik zit bij het sollicitatiegesprek straks. En moet mede beoordelen of ze geschikt is. Ik ben heel benieuwd wat het wordt: bloedwraak of volwassenheid.

Druk

Er lag een spoedopdracht te wachten, dus ik was vroeger dan anders naar kantoor gereden. Op de glazen deur van mijn werkplek had ik een briefje geplakt: “a.u.b. niet storen tenzij dringend. Hartelijk dank”. En gewapend met een kop koffie toog ik aan het werk. Om na vijf minuten ruw onderbroken te worden door een binnenhollende collega: “Wil je even in mijn agenda kijken hoe laat ik die afspraak heb, ik heb mijn pc nog niet opgestart”. Zonder me om te draaien, wees ik naar het briefje. Hij keek, las en zei: “Ik heb je nu toch al gestoord, aaaah, kijk nou even!!”. Hij is vrij klein en het briefje hing hoog, dus voor de zekerheid hing ik er nog eentje bij, iets lager dan de vorige. Maar ik zat nog niet of de volgende kwam binnen: “Goedemorgen! Ik heb je zo lang niet gesproken, ik dacht, ik ga eens even langs. Hoe is het met je?”. “Druk, echt even heel erg druk, dus als je het niet erg vindt ….”. Deur weer dicht en nu twee briefjes erbij, strategisch geplaatst. Een tijdje ging het goed. Toen tikte een collega op de ruit en stak z’n hoofd om de deur: “Waarom hangen hier al die idiote briefjes? Krijg je aandacht te weinig aandacht of zo?” Ik vrees dat mijn ongenoegen tot op de gang te horen was!

Rouw

Laatst stond er een ingezonden brief in de Libelle, die exact verwoordde wat mij de laatste weken opvalt: hoeveel rouwplekken er tegenwoordig aan de kant van de weg te zien zijn. Het stoorde de schrijfster behoorlijk. Want zij werd op die manier opgezadeld met een soort schuldgevoel waar ze niet op zat te wachten. Ik vond het een gedurfde brief, maar sindsdien vallen de stoplichten en bomen met bloemen, beren, kaarsen en foto’s aan de voet nog meer op. Ik krijg er geen schuldgevoel van, maar vind ook dat er grenzen worden overschreden. Het is vreselijk als iemand door een verkeersongeval sterft. Vaak is het ook een zinloos ongeluk dat voorkomen had kunnen worden. Het helpt de nabestaanden soms bij het verwerken van hun verdriet om iets liefs op de plek des onheils te leggen. Tot zover alle begrip en respect. Maar moet zo’n plaats daarna jaren behouden blijven? De persoon in kwestie heeft een eigen rouwplek gekregen op een begraafplaats. Daar is ruimte en gelegenheid voor verdriet. Een toevalllige voorbijrijder kent geen achtergrond en wordt dus slechts afgeleid van het verkeer. Vraag is of deze afleiding tot nieuwe aanrijdingen of tot meer voorzichtigheid leidt. Ik weet het niet. Maar dat deze discussie heel gevoelig ligt, dat moge duidelijk zijn.

Kleine voeten

“Geloof me nou maar, ik heb genoeg bewijzen gezien om te weten waar ik het over heb. Wat zeg ik?! Kijk eens om je heen! Bewijsmateriaal in overvloed zou ik zo zeggen!” Ik keek om me heen, maar zag voornamelijk vreemden en dus wist ik nog niet zeker of ze inderdaad gelijk had. “Het is het eerste waar ik naar kijk als ik iemand tegenkom”, vervolgde ze. “Ik wil gewoon graag weten wat voor vlees ik in de kuip heb.” In gedachten haalde ik diverse voorbeeldfiguren naar voren. Maar al sla je me dood: ik zou het je niet kunnen zeggen. Toch heeft ze me wel op ideeen gebracht. Dus de eerstvolgende keer dat iemand mij onheus bejegent, zal ik ogenblikkelijk naar de grond kijken. Of meer bepaald: de voeten. Want ze weet het zeker: mensen met kleine voeten, die moet je vermijden, want dat is tuig pur sang!

Dierenleed

Een van mijn collega’s schroomt niet om op de hoogste bres te springen waar het dierenleed aangaat. Laatst was ze helemaal ontdaan, omdat er in het nieuws werd gesproken over een grote brandschade in een kippenboerderij. De eigenaar had een lelijke brandwond opgelopen, maar het bericht vermeldde niet om hoeveel dode dieren het ging, noch over de vreselijke manier waarop ze waren omgekomen. Ik ben ook begaan met dieren. Ik vind het vreselijk om ‘de’ foto’s van beren, honden en katten te zien en draag mijn steentje bij aan relevante goede doelen. Maar er zijn grenzen. Vanochtend las ik in de krant, dat een motorrijder om het leven was gekomen na een botsing met een eend. Hij viel ongelukkig en reanimatie mocht niet meer baten. Triest en verschrikkelijk voor de nabestaanden. Het bericht sloot af met de mededeling dat ook de eend het ongeluk niet had overleefd. Ik heb respect voor de betrokkenheid van mijn collega, maar deze mededeling had wat mij betreft achterwege mogen blijven.

Ziel

Afgelopen week zag ik de film Bedazzled met Elisabeth Hurley. Een niet echt populaire jongen wordt door de duivel benaderd om zijn ziel te verkopen voor zeven wensen. Natuurlijk pakt de invulling van een aantal wensen niet precies uit zoals hij bedoelt. Maar wat mij met name opviel was het feit, dat hij zijn ziel vrij gemakkelijk verkocht. Als in ‘Ik weet niet eens zeker of ik een ziel heb, dus als je hem wilt kopen: ga je gang!’ Een aantal stromingen in de geloofsleer beweert dat iedereen een ziel heeft. En dat deze behoorlijk waardevol is na het aardse leven. Maar bewijzen zijn er niet. Ik ben van huis uit katholiek. Net zomin als Eliott in de film weet ik met zekerheid dat ik een ziel heb. Ik neem het aan. Toch zou het niet in mij opkomen om mijn ziel te verkopen, er vanuit gaande dat dit mogelijk was. Ik hou deze liever zelf, voor het geval dat. Maar volgens mij is het verschil tussen gelovig en bijgelovig in dit geval niet zo heel groot!